Liriomyza taraxaci Hering 1927

7357

Taraxacum officinale, Arnhem

16745

Taraxacum officinale, Castricum: frasspatroon

mijn

Langgerekte bovenzijdige blaasmijn met vrij weinig frass in losse korrels. De larve verlaat voor de verpopping de mijn via een bovenzijdige boogsnede.

waardplanten

Asteraceae, nauw oligofaag

Aposeris foetida; Leontodon; Taraxacum officinale

fenologie

Larven in april-mei en juli -augustus (Hering, 1957a).

BENELUX

BE waargenomen (De Bruyn & von Tschirnhaus, 1991a).

NE waargenomen (de Meijere, 1924a, als L. hieracii op Taraxacum).

LUX waargenomen (Ellis: Clervaux, Kautenbach, Luxemburg).

verspreiding binnen Europa

Van Scandinavië, de Baltische Staten en Wit-Rusland tot het Iberisch Schiereiland en Italië, en van Ierland tot Roemenië en Bulgarije (Buhr, 1941b, Fauna Europaea, 2008; Maček, 1999a; Süss, 2003a).<.

larve

puparium

synoniemen

Liriomyza aposeridis Beiger, 1972.

literatuur

Andersen (2016a), Andersen & Jonassen (1994a), Beiger (1955a, 1960a, 1970a, 1972d, 1979a), Beuk (2002a), De Bruyn & von Tschirnhaus (1991a), Buhr (1932a, 1941b, 1964a), Černý (2011a), Černý, Andrade, Gonçalves & von Tschirnhaus (2018a), Černý, Barták & Roháček (2004a), Černý, Barták & Vaněk (2009a), Černý & Merz (2007a), Černý & Vála (1996a, 1999a), Černý, Vála & Barták (2001a), Csóka (2003a), Drăghia (1970a), Eiseman & Lonsdale (2018a), van Frankenhuyzen Houtman & Kabos (1982a), Haase (1942a), Hering (19267b, 1931-32f, 1943a, 1955b), Huber (1969a), Kabos (1971a), Kvičala (1938a), de Meijere (1924a, 1925a, 1934a. 1939a), Maček (1999a), Manning (1956a), Michalska (1970a, 1972a, 1976a), Nowakowski (1954a), Ostrauskas, Pakalniškis & Taluntytė (2003a), Pakalniškis (1982b, 1990a, 1998a), Papp & Černý (2018a), Robbins (1991a), Scheirs, De Bruyn & Verdyck (1993a), Skala & Zavřel (1945a), Sønderup (1949a), Spencer (1953a, 1954b, 1971a, 1972a, 1976a, 1990a), Starý (1930a), Süss (2003a), Surányi (1942a), von Tschirnhaus (1982a, 1999a), Ureche (2010a), Zoerner (1969a).

mod 2.i.2019