Liriomyza tragopogonis de Meijere, 1928

mijn

Groene, later bruinige gang, of vaker langgerekte blaas, bovenop de hoofdnerf. De mijn heeft korte, onregelmatige zijdelingse uitlopers. Frass in onregelmatig verspreide korrels. Verpopping buiten de mijn.

waardplanten

Asteraceae, monofaag

Tragopogon porrifolius, pratensis.

Buhr (1932a) vermeldt Scorzonera angustifolia en lacinata als waardplanten in Mecklenburg (NW Duitsland). Deze asociatie wordt in latere literatuur niet meer genoemd, hoewel de beschrijving van de mijn die Buhr geeft goed overeenstemt moet die van tragopogonis (en zeker niet met die van L. scorzonerae).

Hering (1957a) noemt L. pusio in verband met Scorzonera; deze soort is gedurende vele jaren verward met tragopogonis.

fenologie

Larven in juni en augustus (Hering, 1957a).

BENELUX

BE niet waargenomen (Fauna Europaea, 2008).

NE waargenomen (Kabos, 1971a, als L. hieracii op Tragopogon).

LUX niet waargenomen (Fauna Europaea, 2008).

verspreiding binnen Europa

Van Zweden tot de Pyreneeën, en van Engeland tot de Baltische Staten en Hongarijë (Fauna Europaea, 2008).

larve

synoniemen

Liriomyza pusio: Hering (1957a) en anderen.

literatuur

Beiger (1958a), Buhr (1932a), Griffiths (1963b), Hering (1930b, 1954a, 1957a), Huber (1969a), Kabos (1971), de Meijere (1925a, 1928a), Ostrauskas, Pakalniškis & Taluntytė (2003a), Pakalniškis (1994a), Papp & Černý (2018a), Robbins (1991a), Sønderup (1949a), Spencer (1971a, 1972a, 1976a), Starý (1930a), von Tschirnhaus (1999a).

mod 8.iii.2018