Liriomyza valerianae Hendel, 1932

Liriomyza valerianae: unfinished mine on Valeriana officinalis

Valeriana officinalis, België, prov. Luik, Aywaille, Carrière de la Falize, 16.vi.2018 © Carina Van Steenwinkel: onvoltooide mijn (geparasiteerd)

7386

Valeriana officinalis, Duin en Kruidberg

7386 detail

zelfde mijn, detail

mijn

Een vaak nogal geknoedelde gangmijn, niet zelden een secundaire blaasmijn. Frass in opvallend lange slierten. De larve verlaat de mijn voor de verpopping

waardplanten

Caprifoliaceae, oligofaag

Centranthus ruber; Valeriana alliariifolia, dioica, montana, officinalis, pratensis, saxatilis, tripteris; Valerianella coronata, dentata, locusta, rimosa, vesicaria.

fenologie

Larven in mei en juli (Hering, 1957a), maar Nederlands larvenmateriaal uit augustus en september.

BENELUX

BE waargenomen (Ellis: Bois de Pétigny; Dourbes).

NE waargenomen (de Meijere, 1924a, als L. fasciola).

LUX niet waargenomen (Fauna Europaea, 2008).

verspreiding binnen Europa

Van Scandinavië tot de Pyreneeën, en van Engeland tot Polen (Fauna Europaea, 2008); ook Corsica (Buhr, 1941b).

larve

Beschreven door de Meijere (1925a, als L. fasciola); achterspiraculum met 3 papillen.

literatuur

Andersen (2016a), Beiger (1960a, 1965a), Beuk (2002a), Bland (1994c), Buhr (1932a, 1941b, 1964a), van Frankenhuyzen, Houtman & Kabos (1982a), Griffiths (1962), Haase (1942a), Hering (1957a), Huber (1969a), Kabos (1971a), Maček (1999a), Manning (1956a), de Meijere (1924a, 1925a, 1934a, 1939a), Pakalniškis (1986a), Papp & Černý (2018a), Robbins (1991), Skala (1936a), Skala & Zavřel (1945a), Sønderup (1949a), Spencer (1954a,b, 1972a, 1976a), Surányi (1942a), von Tschirnhaus (1999a, 2000a).

mod 20.vii.2019