Liriomyza xanthocera (Czerny in Czerny & Strobl, 1909)

mijn

Bovenzijdig fijn gangmijntje, dat zich later, vaak boven de hoofdnerf, tot een blaas verbreedt of een secundaire blaasmijn vormt. Ook de blaas is bovenzijdig, maar met enkele kenmerkende voldiepe plekjes. De blaas heeft soms korte uitlopers. Frass in de blaas in talrijke dikke zwarte korreltjes, los of in korte snoertjes bijeen. Verpopping als regel buiten de mijn.

waardplanten

breed polyfaag op dicotylen

Adonis aestivalis; Aethionema; Alcea rosea; Alliaria petiolata; Althaea; Antirrhinum; Arabis; Armoracia rusticana; Barbarea rupicola, vulgaris; Berteroa; Biscutella; Brassica napus, oleracea, rapa; Bunias orientalis; Cakile maritima; Calepina; Camelina; Capparis spinosa; Capsella bursa-pastoris; Centranthus; Chaenorhinum; Cochlearia; Conringia; Coronopus; Cotula coronopifolia; Crambe tatarica; Diplotaxis; Eruca; Erucastrum; Erysimum cheiri, odoratum, perofskianum, repandum; Hesperis; Hibiscus; Hirschfeldia incana; Iberis amara; Isatis tinctoria, undulata; Lallemantia; Lathyrus niger, pratensis; Lens culinaris; Lepidium graminifolium, perfoliatum; Levisticum officinale; Linaria; Linum usitatissimum; Lupinus angustifolius; Malope; Malva sylvestris, trimestris; Matthiola; Medicago sativa; Melilotus; Myagrum; Neslia; Papaver somniferum; Peltaria turkmena; Polemonium; Ranunculus arvensis; Raphanus raphanistrum, sativum; Rapistrum rugosum; Reseda luteola; Roemeria; Saponaria; Sinapis alba; Sisymbrium officinale; Thlaspi; Trigonella foenum-graecum; Tropaeolum majus; Valerianella; Vicia faba, sativa.

Tuinboon is de voornaamste waardplant; daarop soms aanzienlijke schade (Dempewolf, 2004a; Spencer, 1973b).

Mijnen op Capparis waren grotendeels abortief (Buhr, 1941b).

fenologie

Larven in mei-juni, in slechts één generatie (Hering, 1957a).

BENELUX

Niet bekend uit de Benelux-landen (Fauna Europaea, 2008).

verspreiding binnen Europa

Polen, Duitsland, Tsjechië, Frankrijk, Spanje (Fauna Europaea, 2008); Corsica (Buhr, 1941b), Slovenië Maček (1999a).

larve

Beschreven door Hering (1951b, 1960a als crucifericola); achterspiraculum met 3 papillen.

puparium

Geel (Hering, 1951b, 1960a).

synoniemen

Liriomyza infumata (Czerny in Czerny & Strobl, 1909); L. crucifericola (Hering, 1851); Phytobia cisti Spencer, 1960.

literatuur

Beiger (1965a, 1979a, 1989a), Benavent, Martínez, Moreno & Jiménez (2004a), Buhr (1941b, 1953a), Černý & Vála (1996a), Darvas, Skuhravá & Andersen (2000a), Dempewolf (2004a), Hering (1951b, 1955a,b, 1957a, 1960a, 1962a), Huber (1969a), Maček (1999a), Papp & Černý (2018a), Starke (1942a), Spencer (1960a, 1973b)

mod 8.iii.2018