Plantparasieten van Europa

bladmineerders, gallen en schimmels

Phytoliriomyza variegata

Phytoliriomyza variegata (Meigen, 1830)

Phytoliriomyza variegata: mine on Astragalus glycyphyllos

Colutea arobrescens, Frankrijk, Parijs, Versailles, Château de Versailles © Stéphane Claerebout: verlaten mijn, bovenzijdige boogsnede duidelijk zichtbaar

Phytoliriomyza variegata: old mine on Astragalus glycyphyllos

oude mijn

Phytoliriomyza variegata: mine on Astragalus glycyphyllos

Astragalus glycyphyllos, Valkenburg (coll. JC Koster)

mijn

In het eerste stadium maakt de larve een smalle bovenzijdige gang langs de bladrand. Na de eerste vervelling gaat deze over in een grote bovenzijdige blaas. Frass in opvallende groene klonten, die vlekkerig kunnen “uitlopen”. Verpopping buiten de mijn; het puparium is geel.

waardplanten

Fabaceae, oligofaag

Anthyllis vulneraria; Astragalus cicer, danicus, glycyphyllos; Cicer arietinum; Colutea arborescens; Coronilla vaginalis; Hippocrepis emerus subsp. emeroides; Lathyrus sylvestris, tuberosus; Oxytropis; Securigera varia varia.

Beiger (1960a) noemt nog Vicia sepium, Drăghia (1971a) Gleditsia triacanthos. Een verwijzing naar Lembotropis nigricans door Hartig (1939a) lijkt minder waarschijnlijk wegens de taxonomische plaats van die plant.

fenologie

Larven van juni tot september (Hering, 1957a).

BENELUX

BE waargenomen (De Bruyn & von Tschirnhaus, 1991a).

NE waargenomen (Ellis & Koster, 2003a).

LUX niet waargenomen (Fauna Europaea, 2008).

verspreiding binnen Europa

Van Scandinavië tot het Iberisch Schiereiland, de Alpen, Servië en Roemenië; niet bekend uit de Britse Eilanden (Fauna Europaea, 2008); ook Bulgarijë (Beiger, 1980a).

larve

Beschreven door de Meijere (1925a) en Dempewolf (2001a); achterspiraculum met 3 papillen.

puparium

Geel.

synoniemen

Liriomyza variegata; Agromyza astragali Brischke, 1880.

opmerkingen

De larve wordt ook beschreven door Beri (1971d), maar van een ongeloofwaardige waardplant, Leonitis nepaefolia (Lamiaceae).

literatuur

Ahr (1966a), Andersen (2016a), Beiger (1955a, 1960a, 1970a, 1980a), Beri (1971d), De Bruyn & von Tschirnhaus (1991a), Buhr (1930a, 1932a, 1941b, 1964a), Černý & Vála (1996a, 1999a), Černý, Vála & Barták (2001a), Csóka (2003a), Dempewolf (2001a), Drăghia (1970, 1971a, 1972a), Ellis & Koster (2003a), Haase (1942a), Hartig (1939a), Hering (1925a, 1931-32f, 1955b, 1957a, 1967a), Huber (1969a), Kvičala (1938a), Maček (1999a), de Meijere (1926a), Michalska (1970a, 1972a, 1976a), Michna (1975a), Nowakowski (1954a), Pakalniškis (1993a), Papp & Černý (2018a), Popescu-Gorj & Drăghia (1966a),Rydén (1926a), Skala (1951a), Skala & Zavřel (1945a), Sønderup (1949a), Spencer (1976a), Stammer (2016a), Starke (1942a), Starý (1930a), Surányi (1942a), von Tschirnhaus (1999a).

Laatste bewerking 10.iii.2018