Phytomyza aconitophila Hendel, 1927

mijn

Mijn begint met een ganggedeelte in de top van een bladlob, vaak een eindweegs de bladrand volgend, gaandeweg overgaand in een blaasmijn, die zich in de richting van de bladvoet uitbreidt. De larve verlaat de mijn voor de verpopping; boogsnede in bovenepidermis (Pakalniškis, 2004a)

waardplanten

Ranunculaceae, oligofaag

Aconitum x cammarum, lycoctonum & subsp. neapolitanum + septentrionale, napellus, variegatum; Consolida ajacis; Delphinium.

fenologie

Larven in mei-juni,en juli-augustus (Hering, 1957a).

BENELUX

Niet bekend uit de Benelux-landen (Fauna Europaea, 2008).

verspreiding binnen Europa

Van Scandinavië tot de Pyreneeën, Duitsland en Polen (Fauna Europaea, 2008); ook Slovenië (Maček, 1999a) en Litouwen (Pakalniškis, 2000a).

larve

Beschreven door de Meijere (1937a).

puparium

Geel tot lichtbruin, met diep ingesnoerde segment-grenzen.

synoniemen

Napomyza aconitophila (Hendel); Phytomyza aconiti (Hendel 1924), nec Hendel, 1920.

opmerkingen

Voorzover ik weet is deze soort in Nederland nog niet waargenomen. Omdat de soort echter veel optreedt in tuinen in de ons omringende landen (Hering, 1955a, 1957a; Spencer, 1976a; Pakalniškis, 2000a) zou de soort in ons land kunnen voorkomen.

literatuur

Ahr (1966a), Buhr (1932a), Černý, Barták & Vaněk (2009a), Ci̇velek, Çikman & Dursun (2008a), Hering (1955b, 1957a, 1961a), Huber (1969a), Maček (1999a), de Meijere (1937a), Pakalniškis (2000a, 2004a), Rydén (1956a), Seidel (1957a), Sønderup (1949a), Spencer (1976a), Starke (1942a), Starý (1930a), von Tschirnhaus (1999a).

mod 20.vi.2019