Plantparasieten van Europa

bladmineerders, gallen en schimmels

Phytomyza agromyzina

Phytomyza agromyzina Meigen, 1830

kornoeljemineervlieg

Op Cornus

Phytomyza agromyzina: mine on Cornus sanguinea

Cornus sanguinea, Hongarije, Kimle, 16.v.2019 © László Érsek

Phytomyza agromyzina: mine on Cornus sanguinea

detail

Phytomyza agromyzina: mine on Cornus sanguinea

aan de onderzijde van het blad is de mijn ternauwernood zichtbaar

Phytomyza agromyzina: larva

larve, half-dorsaal

Phytomyza agromyzina: larva

“kop”

Phytomyza agromyzina: mines on Cornus mas

Cornus mas, België, prov. Antwerpen, Mol, 30.viii.2014 © Carina Van Steenwinkel: mijn

Phytomyza agromyzina: mines on Cornus mas

mijn in doorzicht, met puparium in de mijn

Phytomyza agromyzina: mine on Corns sanguinea

Cornus sanguinea, Zeewolde, Harderbos, 11.vi.2017 © Hans Jonkman

Phytomyza agromyzina: vacated mine on Cornus sanguinea

ander exemplaar

Phytomyza agromyzina: pupariun protruding from the ine

het puparium steekt vaak half uit de mijn

mijn

Bovenzijdige gangmijn van begin tot eind. De frass vervloeit, en vormt dan een brede, donkere middenband. De larve verlaat gewoonlijk de mijn voor de verpopping, maar niet zelden blijft het puparium in de mijn. Dat ziet er een beetje slordig uit; de voorspiracula steken niet door de epidermis naar buiten.

waardplanten

Cornaceae, monofaag

Cornus alba, mas, sanguinea, sericea.

Van Frankenhuyzen Houtman & Kabos (1982a) noemen naast Cornus ook Lonicera als waardplant. Dat is zeker onjuist.

fenologie

Mijnen gevonden van juni tot october; niet zeldzaam, maar nooit in grote aantallen.

BENELUX

BE waargenomen (De Bruyn & von Tschirnhaus, 1991a).
NE waargenomen (de Meijere, 1939a).
LUX waargenomen (Ellis: Kautenbach).

verspreiding binnen Europa

Van Zweden tot de Pyreneeën, Alpen en Roemenië, en van Engeland tot Litouwen en Polen (Fauna Europaea, 2008); ook Slovenië (Maček, 1999a).

larve

Beschreven door de Meijere (1926a).

puparium

15330

Cornus sanguinea, Amsterdam

synoniemen

Phytomyza similis Brischke, 1880.

literatuur

Ahr (1966a), Beiger (1979a), Beuk (2002a), De Bruyn & von Tschirnhaus (1991a), Buhr (1932a, 1964a), Drăghia (1967a, 1968a, 1971a), Dreger & Myssura (2005a), Eiseman & Lonsdale (2018a), van Frankenhuyzen & Houtman (1972a), van Frankenhuyzen Houtman & Kabos (1982a), Hartig (1939a), Hering (1924a, 1955b, 1957a), Huber (1969a), Kabos (1971a), Kollár (2007a), Kollár & Hrubík (2009a), Kvičala (1938a), Maček (1999a), Manning (1956a), Matošević, Pernek, Dubravac & Barić (2009a), de Meijere (1926a, 1939a), Michalska (1972a, 2003a), Michna (1975a), Popescu-Gorj & Drăghia (1966a), Robbins (1991a), Rydén (1926a), Skala & Zavřel (1945a), Sønderup (1949a), Spencer (1972a, 1976a), Stammer (2016a), Starke (1942a), Starý (1930a), Stolnicu (2007a), von Tschirnhaus (1999a), Ureche (2010a), Zoerner (1969a).

Laatste bewerking 14.xi.2020