Plantparasieten van Europa

bladmineerders, gallen en schimmels

Phytomyza anemones

Phytomyza anemones Hering, 1925

Op Anemone

Phytomyza anemones: mine

uit Hering (1957a)

Phytomyza anemones: mine on Anemone nemorosa

Anemone nemorosa, oostelijk Denemarken © Simon Haarder

mijn

vrij doorzichtige, bovenzijdige geleidelijk bredere gangmijn, die naar het eind een secundaire blaas vormt. Primaire en secundaire vraatlijnen zichtbaar bij verse mijnen. Frass in geleidelijk groter wordende losse korrels. Het puparium kan zowel binnen als buiten de mijn worden gevormd (Hering, 1957a); volgens Pakalniškis (2004a) wordt het puparium altijd gevormd binnen de mijn, onder de bovenepidernis. Volgens Griffiths (1956a) verscheidene larven in een blad.

waardplanten

Ranunculaceae, oliofaag

Anemone coronaria, hortensis, nemorosa; Clematis flammula.

fenologie

Larven in mei (Hering, 1957a).

BENELUX

Niet bekend uit de Benelux-landen (Fauna Europaea, 2008).

verspreiding binnen Europa

Van Zweden en Finland tot de Pyreneeën en Italië, en van Ierland tot Duitsland; ook Litouwen en Servië (Fauna Europaea, 2008); Malta (Černý, 2004a).

larve

Beschreven door Hering (1967a, als clematobia); mandibel twee-tandig, alternerend; voorspiraculum knopvormig met 9 papillen, achterspiraculum hoefijzervormig, met 13 papillen.

puparium

Roodbruin, met opvallend lang uitgetrokken achterspiracula (afgebeeld in Hering, 1925b en de Meijere, 1937a).

synoniemen

Phytomyza clematobia Hering, 1967.

literatuur

Ahr (1966a), Beiger (1960a, 1970a), Buhr (1930a, 1932a, 1941b), Černý (2004a, 2011a), Dreger & Myssura (2005a), Eiseman & Lonsdale (2018a), Griffiths (1956a,b), Hering (1925b, 1957a, 1967a), de Meijere (1937a), Michalska (1972a, 1976a), Pakalniškis (1990a, 2004a), Robbins (1991a), Skala (1936a), Sønderup (1949a), Spencer (1972a, 1973c, 1976a), Starý (1930a), von Tschirnhaus (1999a).

Laatste bewerking 21.ix.2018