Phytomyza aquilegiae Hardy, 1849

8453

Aquilegia vulgaris, Amstelveen

mijn

Opvallend grote, ietwat blazige, bovenzijdige, vaak paarsbruine blaasmijn, zonder begingang. De mijn is ongewoon omdat plaatselijk ook het sponsparenchym wordt weggevreten, zodat de mijn deels voldiep is (© rechtsonder). De mijn begint in het centrum of de basis van een blaadje (Griffiths, 1956b). Dit begindeel heeft een afwijkende structuur en kleur. Vermoedelijk wordt dit gemaakt door de larve vóór de eerste vervelling. Frass in zeer fijne korrels, op de bodem van de mijn. De larve verlaat de mijn voor de verpopping. Boogsnede in bovenepidermis (Pakalniskis, 2004a).

16725_2616725_24

beginmijntje, van boven; rechts ter vergelijking een stukje van de grote mijn met het voor deze soort onregelmatige plaatselijke vraat aan het sponsparenchym

16725_26

Als de mijn wordt geopend en de bovenepidermis teruggeslagen blijkt dat de beginmijntjes een frassconcentratie vertonen rondom een gaatje dat doorloopt tot de bladonderzijde – vermoedelijk de ovipositieplek.

waardplanten

Ranunculaceae, nauw oligofaag

Aquilegia atrata, flabellata, vulgaris, Thalictrum aquilegiifolium, flavum, lucidum, minus.

fenologie

Larven van juni tot october (Hering, 1957a), maar in het warme najaar van 2006 tot in midden december! In tuinen een gewone soort.

BENELUX

BE waargenomen (De Bruyn & von Tschirnhaus, 1991a).

NE waargenomen (de Meijere, 1924a).

LUX niet waargenomen (Fauna Europaea, 2008).

verspreiding binnen Europa

Van Scandinavië en Finland tot de Pyreneeën, Alpen en Slowakije, en van Engeland tot Litouwen en Polen; ook Bulgarijë (Fauna Europaea, 2008).

larve

literatuur

Ahr (1966a), Beiger (1955a, 1979a, 1989a), Beuk (2002a), Bland (2001a), De Bruyn & von Tschirnhaus (1991a), Buhr (1932a, 1941b, 1964a), Černý & Merz (2007a), Chałańska, Łabanowski & Soika (2006a), Drăghia (1967a, 1968a, 1972a), Dreger & Myssura (2005a), van Frankenhuyzen, Houtman & Kabos (1982a), Griffiths (1956b), Hartig (1939a), Hering (1955b, 1957a), Huber (1969a), Kabos (1971a), Maček (1999a), de Meijere (1924a, 1926a, 1939a, 1941a), Michalska (1970a), Nowakowski (1954a), Ostrauskas, Pakalniškis & Taluntytė (2003a), Pakalniškis (1986a, 2004a), Robbins (1991a), Rydén (1926a), Skala (1941a, 1951a), Skala & Zavřel (1945a), Sønderup (1949a), Spencer (1072a, 1976a), Starke (1942a), Starý (1930a), Surányi (1942a), von Tschirnhaus (1999a), Utech (1962a).

mod 1.i.2019