Plantparasieten van Europa

bladmineerders, gallen en schimmels

Phytomyza archangelicae

Phytomyza archangelicae Hering, 1937

Phytomyza archangelicae: mine on Angelica sylvestris

Angelica sylvestris, België, Hoge Venen, Jansbach; © Jonas Mortelmans

Phytomyza archangelicae: mine on Angelica sylvestris

onderzijde; ook de boogsnede is zichtbaar


Phytomyza archangelicae mine

Angelica sylvestris, Duitsland (Baden-Württemberg), Baden-Weiler


Phytomyza archangelicae mine

onderzijdig begindeel van de mijn

mijn

Onderzijdig beginnende, later bovenzijdige gangmijn, 7-10 cm lang, en op het eind niet meer dan ca 2 mm breed. Frass in dikke zwarte korrels, soms parelsnoertjes. De larve verlaat voor de verpopping de mijn via een boogvormige snede in boven- of onderepidermis.

waardplanten

Apiaceae, monofaag

Angelica archangelica, sylvestris.

fenologie

Larven in juni en augustus (Hering, 1957a).

BENELUX

BE waargenomen (Mortelmans ao, 2014a ).

NE enige malen in Nederland waargenomen.

LUX niet waargenomen (Fauna Europaea, 2008).

verspreiding binnen Europa

Zweden, Litouwen, Duitsland, Polen (Fauna Europaea, 2008); mogelijk ook Engeland (Robbins, 1991a) en Slovenië (Maček, 1999a).

larve

synoniemen

Phytomyza nilssoni Rydén, 1956.

literatuur

Buhr (1964a), Griffiths (1964a, 1973c), Hering (1955a, 1957a), Maček (1999a), de Meijere (1937a), Mortelmans, Boeraeve, Tamsyn, Proesmans & Dekeukeleire (2014a), Nowakowski (1954a), Robbins (1991a), Spencer (1976a), von Tschirnhaus (1999a).

21/09/2014

Laatste bewerking 25.vii.2017