Phytomyza brischkei Hendel, 1922

mijn

Mijn een grotendeels onderzijdige gangmijn, die vaak bladnerven volgt. Tenslotte een korte bovenzijdige gang of kleine blaas. Verpopping buiten de mijn.

waardplanten

Fabaceae, oligofaag

Anthyllis vulneraria & subsp. alpestris; Trifolium alpinum, campestre, fragiferum, pratense, repens.

fenologie

Larven tussen juni en september (Hering, 1957a).

BENELUX

BE niet waargenomen (Fauna Europaea, 2008).

NE waargenomen (de Meijere, 1924a).

LUX niet waargenomen (Fauna Europaea, 2008).

verspreiding binnen Europa

Van Letland en Wit-Rusland tot de Pyreneeën, en van Engeland tot Italië (Fauna Europaea, 2008); ook Oostenrijk (von Tschirnhaus, 1982a).

larve

synoniemen

Phytomyza anthyllidis Hering, 1954; Ph. vulnerariae Spencer, 1957.

opmerkingen

Zeldzaam of moeilijk te vinden (of beide?)

literatuur

Ahr (1966a), Beiger (1979b), Beuk (2002a), Buhr (1932a, 1964a), Černý, Barták & Vaněk (2009a), Černý & Merz (2007a), Groschke (1957a), Hering (1925a, 1954a, 1955b, 1957a), Huber (1969a), Kabos (1971a), Kahanpää (2014a) Finland, Maček (1999a), de Meijere (1924a, 1925a, 1937a), Ostrauskas, Pakalniškis & Taluntytė (2003a), Pakalniškis (1998a), Spencer (1972a), Starke (1942a), Süss & Moreschi (2003a), Surányi (1942a), von Tschirnhaus (1982a, 1999a), Zoerner (1969a, 1970a).

mod 2.i.2019