Phytomyza bupleuri Hering, 1963

Diptera, Agromyzidae

mijn

De mijn begint met een kort onderzijdig gangetje. Het vervolg is een bovenzijdige gang, die meestal in de buurt van de bladtop begint en in de richting van de bladbasis loopt, terwijl hij zeer snel en sterk breder wordt. De mijn ligt in slingers, en kan een secundaire blaasmijn worden. Frass in kopspijkerachtige stukjes, die scheef liggen, de “kop” in de buurt van de gangwand. Als de mijn verregend raakt vervloeit de frass tot een groene zigzagband. Verpopping buiten de mijn; boogsnede in de bovenepidermis.

waardplanten

Apiaceae, monofaag

Bupleurum falcatum.

fenologie

Larven in april-mei (Hering, 1963a).

BENELUX

Niet bekend uit de Benelux-landen (Fauna Europaea, 2008).

verspreiding binnen Europa

Duitsland (Fauna Europaea, 2008); door Gil Ortiz (2009a) vermeld uit Spanje.

synoniemen

Napomyza bupleuri.

literatuur

Gil Ortiz (2009a), Gil-Ortiz, Martinez & Jiménez-Peydró (2010a), Hering (1963a), Spencer (1990a), von Tschirnhaus (1999a).

07/11/2014

mod 17.vii.2017