Plantparasieten van Europa

bladmineerders, gallen en schimmels

Phytomyza chaerophylli

Phytomyza chaerophylli Kaltenbach, 1856

Phytomyza chaerophylli: occupied mine on Anthrisus sylvestris

Anthriscus sylvestris, Zeewolde, Harderbos © Hans Jonkman

Phytomyza chaerophylli: mine in Anthriscus sylvestris

Anthriscus sylvestris, Buikslotermeer

mijn

Bovenzijdige gangmijn, die zich tenslotte vaak zo sterk verbreedt dat, binnen de beperkte ruimte van een umbelliferenblad, vaak een secundaire blaasmijn ontstaat. Aan de bovenzijdige mijn gaat een kort onderzijdig gangetje vooraf, gemaakt door de larve in het eerste deel van het eerste stadium (Allen, 1956a). Het is lastig te zien, ook al omdat het vaak de bladrand volgt. Frass in twee slordige rijen van losse korreltjes. De larve verlaat voor de verpopping de mijn via een boogvormige snede in de onderepidermis.

waardplanten

Apiaceae, oligofaag

Anthriscus caucalis, cerefolium,, nitida, sylvestris & subsp nemorosus; Bifora; Carum carvi; Chaerophyllum aromaticum, aureum, bulbosum, hirsutum, nodosum, temulum; Conium maculatum; Conopodium majus; Daucus carota;Myrrhis odorata; Oenanthe aquatica; Orlaya grandiflora; Sison amomum; Torilis japonica.

Een vermelding van Selinum carvifolia door Starke (1942a) wordt door Hering (1957a) niet overgenomen.

fenologie

Larven van mei tot november (Hering, 1957a); multivoltien (Frey, 1991a).

BENELUX

BE waargenomen (De Bruyn & von Tschirnhaus, 1991a).

NE waargenomen (de Meijere, 1924a).

LUX waargenomen (Ellis: Kautenbach, Dudelange, Flaxweiler).

verspreiding binnen Europa

Van Scandinavië en Finland tot de Pyreneeën, Sardinië en Sicilië, en van Ierland tot Letland, Polen en Thracië (Fauna Europaea, 2008).

larve

puparium

synoniemen

Phytomyza anthrisci Hendel, 1924; Ph. tordylii Hendel, 1927; Ph. aromatici Hering, 1931; Ph. carvi Hering, 1931; Ph. coniophila Hering; Ph. daucivora Hering, 1931; Ph. conopodii Hering, 1943; Ph. sisonis Hering, 1943.

opmerkingen

Zeer gewoon.

literatuur

Ahr (1966a), Allen (1956a, 1957b), Amsel & Hering (1933a), Andersen (2013a), Andersen & Jonassen (1994a), Beiger (1955a, 1960a, 1965a, 1970a, 1979a), Beri (1971e), Beuk (2002a), Bland (1992b), De Bruyn & von Tschirnhaus (1991a), Buhr (1932a, 1941b, 1964a), Černý (2007a, 2011a), Černý & Merz (2007a), Černý & Vála (1999a), Černý, Vála & Barták (2001a), Csóka (2003a), Drăghia (1967a, 1970a), Dreger & Myssura (2005a), Frey (1991a), van Frankenhuyzen, Houtman & Kabos (1982a), Griffiths (1956a,b), Hering (1921a, 1925a, 1931a,f, 1936b, 1943a, 1955b, 1957a), Kabos (1971a), Kvičala (1938a), Lhomme (1934d), Maček (1999a), Manning (1956a), de Meijere (1924a, 1926a, 1937a, 1939a, 1943a), Michalska (2003a), Nowakowski (1954a), Ostrauskas, Pakalniškis & Taluntytė (2003a), Pakalniškis (1983a, 1990a, 1998a), Popescu-Gorj & Drăghia (1968a), Robbins (1991a), Rydén (1926a), Sasakawa (1961a), Scheirs, De Bruyn & von Tschirnhaus (1996a), Skala & Zavřel (1945a), Sønderup (1949a), Spencer (1953a, 1966b, 1971a,b, 1972a, 1976a), Starke (1942a), Starý (1930a), von Tschirnhaus (1999a), Ureche (2010a), Zoerner (1969a, 1970a).

Laatste bewerking 10.vii.2018