Plantparasieten van Europa

bladmineerders, gallen en schimmels

Phytomyza conyzae

Phytomyza conyzae Kaltenbach, 1859

Phytomyza conyzae: mine on Inula helenium

Inula helenium, België, prov. Namen, Gembloux; © Jean-Yves Baugnée


8595

Pulicaria dysenterica, Susteren


8595_det

puparium in de mijn

mijn

Bovenzijdige, vaak onderzijdig beginnende, gangmijn, die vaak een eindweegs de hoofdnerf begeleidt; soms blijft de hele mijn onderzijdig. De mijn is van meet af aan breed, met onregematige wanden. Frass aanvankelijk in twee rijen fijne korreltjes, later verder uiteen en meer onregelmatig, deels in parelsnoertjes. Het puparium wordt soms in, soms buiten de mijn gevormd. Als de larve de mijn heeft verlaten is er een boogvormig spleetje in de mijn te vinden. Als het puparium in de mijn blijft, steken de spiracula niet door de epidermis heen en bevindt zich vóór het puparium al een boogvormige snede (onderste ©).

waardplanten

Asteraceae, oligofaag

Anaphalis; Arnica montana; Buphthalmum salicifolium; Dittrichia graveolens, viscosa; Erigeron bonariensis, canadensis; Inula britannica, candida, conyzae, ensifolia, helenium, hirta, oculus-christi, spiraeifolia;mLimbarda crithmoides; Pallenis; Pulicaria dysenterica; Telekia speciosa.

In het Middellandse-Zeegebied, waar de soort zeer talrijk is, is Dittrichia viscosa de voornaamste waardplant (Spencer, 1972b).

fenologie

Larven in juni-juli en augustus-september (Hering, 1957a).

BENELUX

BE waargenomen (Scheirs, De Bruyn & Verdyck, 1993a).

NE waargenomen (de Meijere, 1926a).

LUX waargenomen (Ellis, Palmberg bij Ahn).

verspreiding binnen Europa

Ten westen van de lijn Zweden – Thracië (Fauna Europaea, 2008).

larve

Beschreven door de Meijere (1926a); achterspiraculum met 15-20 papillen.

synoniemen

Phytomyza centaureae Hering, 1924; Ph. arnicophila Hering, 1931; Ph. riveriae Hering, 1932; Ph. inulina Hering, 1932.

opmerkingen

Hering (1967a) vond dat in Zuid-Europa (Italië, Dalmatië) het aantal papillen op de achterspiracula veel lager ligt, tussen 9 en 12.

Ook Beri (1971e) beschrijft de larve; omdat het materiaal echter afkomstig is van Clematis montana is de determinatie zeker onjuist.

literatuur

Amsel & Hering (1933a), Beiger (1979a), Beri (1971e), Beuk (2002a), Buhr (1930a, 1941b, 1964a), Černý (2004a, 2011a), Černý, Andrade, Gonçalves & von Tschirnhaus (2018a), Černý & Vála (1996a, 1999a, 2006a), Ci̇velek, Çikman & Dursun (2008a), Drăghia (1968a), Griffiths (1962a), Hering (1924a, 1930b, 1931a, 1932e, 1936b, 1957a,b, 1967a), Huber (1969a), Kabos (1971a), Kvičala (1938a), Maček (1999a).Masetti, Lanzoni, Burgio & Süss (2004a), de Meijere (1926a, 1937a, 1939a, 1941a, 1946a, 1950a), Niblett (1956a), Ostrauskas, Pakalniškis & Taluntytė (2003a), Robbins (1991a), Scheirs, De Bruyn & Verdyck (1993a), Skala & Zavřel (1945a), Sønderup (1949a), Spencer (1953a, 1954d, 1966b, 1967a, 1972a,b, 1973c, 1974a, 1976a), Starý (1930a), Süss (1982a), Surányi (1942a), von Tschirnhaus (1999a), Utech (1962a), Zoerner (1969a).

Laatste bewerking 15.xii.2018