Phytomyza corvimontana Hering, 1930

mijn

Bovenzijdige gangmijn; het begin is niet zelden onderzijdig. De mijn volgt gewoonlijk een eindweegs de middennerf. De larve verlaat de mijn voor de verpopping.

waardplanten

Asteraceae, nauw monofaag

Achillea ptarmica.

fenologie

Bivoltien: voorzomer en nazomer (Robbins, 1991a).

BENELUX

Niet bekend uit de Benelux-landen (Fauna Europaea, 2008).

verspreiding binnen Europa

Van Zweden tot de Pyreneeën, en van Engeland tot Litouwen en Polen (Fauna Europaea, 2008).

puparium

Zwart (de Meijere, 1934a).

opmerkingen

In 2004 door mij als Nederlands vermeld, op grond van twee monsters van lege mijnen uit Overijssel. In 2007 werd echter in Amstelveen op A. ptarmica mijnenmateriaal verzameld, waarvan de mijn opnieuw geheel voldeed aan de beschrijving van corvimontana (met name de frass fijnkorrelig), maar waarvan de larve duidelijk een Liriomyza was. Vooralsnog veronderstel ik daarom dat al het Nederlandse materiaal vam “corvimontana” als L. ptarmicae moet worden beschouwd.

literatuur

Hering (1939b, 1955b, 1957a), Huber (1969a), Pakalniškis (1994a), Robbins (1991a), Spencer (1972a), von Tschirnhaus (1999a).

mod 23.xi.2017