Phytomyza fallaciosa Brischke, 1880

op Ranunculus

Phytomyza fallaciosa: occupied mine on Ranunculus acris

Ranunculus acris, België, prov. Antwerpen, Veerle, de Roost © Carina Van Steenwinkel

Phytomyza fallaciosa: occupied mine on Ranunculus acris

detail

13499_1

Ranunculus repens, Groote Peel

13499_3

vraatlijnen

frass

frass

mijn

Een compacte secundaire blaasmijn, zonder eilandjes van niet uitgemineerd bladweefsel. Mijn gewoonlijk vuilbruin verkleurd, sprekend gelijkend op een dood en verrottende bladslip. Zowel primaire als secundaire vraatsporen opvallend. Frass gedeeltelijk in lange draadjes. De verpopping vindt plaats in het blad in een onderzijdig deel van de mijn, vaak een stukje van de eigenlijk mijn verwijderd.

waardplanten

Ranunculaceae, monofaag

Ranunculus acer, auricomus, breyninus, lanuginosus, lingua, repens.

Starke (1942a) meldt ook mijnen op Anemone sylvestris, maar dat wordt door latere auteurs niet overgenomen; mogelijk verwarring met mijnen van een Pseudodineura.

fenologie

Hering vond larven in mei-juni en augustus-september; de weinige bezette mijnen die ik uit West-Europa ken werden gevonden eind october – begin november. Mortelmans ea noemt uit België één larve uit midden juni en puparia uit november en december.

BENELUX

BE waargenomen (Mortelmans ea, 2013a).

NE waargenomen (Ellis: Groote Peel, Losser).

LUX niet waargnomen (Fauna Europaea, 2008).

verspreiding binnen Europa

Van IJsland, Scandinavië en Finland tot de Pyreneeën en Italië, en van Ierland tot de Balttische Staten en Polen (Fauna Europaea, 2008); ook Turkijë (Mart, Tursun & Civelek, 2005a).

larva

puparium

synoniemen

Phytomyza pseudohellebori Hendel, 1920; Ph. auricomi Hering, 1924; Ph. mimica Hering, 1928; Ph. bonsdorfi Hendel, 1936; Ph. ranunculiphaga Lundqvist, 1950; Ph. fasciola: de Meijere (1937a), Buhr (1941b).

opmerkingen

Talrijke mijnen (met puparia en één late larve) gevonden in begin november 2004 in de Groote Peel; eind october 2006 teruggevonden in het Haagsche Bosch bij Losser.

literatuur

Andersen & Jonassen (1994a), Beiger (1955a, 1960a, 1965a, 1970a, 1979a), Bland (1977a), Buhr (1932a, 1941b, 1964a), Černý (2001a, 2007a, 2011a), Černý, Andrade, Gonçalves & von Tschirnhaus (2018a), Černý & Merz (2006a, 2007a), Černý & Vála (1999a), Ci̇velek, Çikman & Dursun (2008a), Dreger & Myssura (2005a), Griffiths (1964a), Hering (1924b, 1928a, 1941a, 1954a, 1955b, 1957a), Huber (1969a), Mart, Tursun & Civelek (2005a), de Meijere (1928a, 1934a, 1937a), Michalska (1972a, 1976a), Mortelmans, Dekeukeleire & Baugnée (2013a), Ostrauskas, Pakalniškis & Taluntytė (2003a), Pakalniškis (2004a), Robbins (1991a), Sønderup (1949a), Spencer (1972a, 1976a), Starke (1942a), Süss (1992a), von Tschirnhaus (1999a), Zoerner (1969a).

mod 15.xii.2018