Plantparasieten van Europa

bladmineerders, gallen en schimmels

Phytomyza leucanthemi

Phytomyza leucanthemi Hering, 1935

u/s

Leucanthemum vulgare, Amstelveen, JP Thijssepark: bovenzijde

l/s

onderzijde

tr

doorzicht

frass pattern

frasspatroon

mijn

Lange smalle gangmijn, gewoonlijk bovenzijdig met een onderzijdig begindeel. Frass in onregelmatige, maar losse, niet in snoertjes verbonden, korrels. De larve verlaat voor de verpopping de mijn.

waardplanten

Asteraceae, nauw oligofaag

Chrysanthemum indicum; Ismelia carinata; Leucanthemum maximum, vulgare; Tanacetum corymbosum.

fenologie

Larven in mei-juni en september-october (Hering, 1957a).

BENELUX

BE niet waargenomen (Fauna Europaea, 2008).

NE waargenomen (Ellis, verschillende vindplaatsen).

LUX niet waargenomen (Fauna Europaea, 2008).

verspreiding binnen Europa

Van Scandinavië tot de Pyreneeën en Tsjechië, en van Engeland tot Letland en Polen; ook Slovenië (Fauna Europaea, 2008).

larve

puparium

Zwart.

synoniemen

Phytomyza chrysanthivora Lundquist, 1949.

opmerkingen

Hering schrijft dat de larve de mijn verlaat via een snede in de bovenepidermis, maar lijkt niet altijd op te gaan. Soms is het laatste deel van de mijn onderzijdig, en verlaat de larve de mijn ook aan de onderzijde.

literatuur

Ahr (1966a), Andersen & Jonassen (1994a), Beiger (1960a, 1978a).Černý & Bächli (2018a), Dreger & Myssura (2005a), Hering (1949b, 1954a, 1957a), Huber (1969a), Maček (1999a), Michalska (1976a), Ostrauskas, Pakalniškis & Taluntytė (2003a), Pakalniškis (1998a), Robbins (1991a), Sønderup (1949a), Spencer (1972a, 1976a), von Tschirnhaus (1999a), Utech (1962a).

Laatste bewerking 17.iii.2019