Phytomyza medicaginis Hering, 1925

Diptera, Agromyzidae

11478

Symphytum officinale, Ackerdijkse Plassen

mijn

Mijn begint in het bladcentrum, als een bovenzijdige blaas van waaruit gangen uitstralen, met in elk een larve; later vloeien die armen samen en resulteert een grote, bruine blaasmijn. Frass in onregelmatige strengen. De larve verlaat de mijn voor de verpopping via een onderzijdige (altijd?) snede; maar vaak steekt het puparium half uit de mijn.

waardplanten

Boraginacee, oligofaag

Aegonychon purpurocaeruleum; Brunnera macrophylla; Echium vulgare; Lithospermum officinale; Symphytum asperum, officinale, tuberosum.

In Nederland uitsluitend gevonden op Symphytum officinale.

fenologie

Larven in juli en september-october (Hering, 1957a).

BENELUX

BE waargenomen (Scheirs, De Bruyn & von Tschirnhaus, 1996a, als symphyti).

NE waargenomen (Ellis, div. loc.).

LUX niet waargenomen (Fauna Europaea, 2008).

verspreiding binnen Europa

Van Litouwen tot de Pyreneeën, en van Engeland tot Roemenië (Fauna Europaea, 2008).

larve

puparium

synoniemen

Phytomyza leucomaculata Vimmer, 1931; Ph. symphyti Hendel, 1935.

opmerkingen

De soort werd door Hering (1925b) beschreven aan de hand van een imago dat hij ten onrechte associëerde met Medicago sativa.

literatuur

Beiger (1970a, 1975a), Bland (1994c), Černý (2001a, 2011a), Černý & Vála (1999a), Černý, Vála & Barták (2001a), Griffiths (1962a, 1975a), Hering (1925b, 1955a, 1957a, 1962a, 1963a), Maček (1999a), Nowakowski (1959a), Pakalniškis (1993a), Popescu-Gorj & Drăghia (1966a), Robbins (1991a), Scheirs, De Bruyn & von Tschirnhaus (1996a), Spencer (1972a), von Tschirnhaus (1982a, 1999a).

20/10/2014

mod 26.vii.2017