Phytomyza pauliloewii Hendel, 1920

mijn

Rondachtige, bovenzijdige blaasmijn, met een diameter van ca. 1 cm; geen spoor van een begingang. Frass in grove korrels. Larve verlaat voor de verpopping de mijn via een boogsnede in de bovenepidermis. Hering (1955b) geeft een afbeelding van de mijn.

waardplanten

Apiaceae, oligofaag

Peucedanum cervaria, oreoselinum, ostruthium, palustre, schotti; Pimpinella major, saxifraga.

fenologie

Larven in mei-juni en augustus-september (Hering, 1957a).

BENELUX

Niet bekend uit de Benelux-landen (Fauna Europaea, 2008).

verspreiding binnen Europa

Van Zweden en Finland tot Italië, en van Engeland tot Litouwen en Tsjechië (Fauna Europaea, 2008); ook Slovenië (Maček, 1999a).

larve

Voorspiraculum knopvormig, met zes papillen (de Meijere, 1926).

Phytomyza pauliloewi: spiracula

voor- en achterspiraculum (uit de Meijere).

literatuur

Beiger (1955a, 1960a, 1965a, 1970a), Bland (1994c), Buhr (1932a), Černý & Merz (2007a), Černý & Vála (1996a), Dreger & Myssura (2005a), Hering (1921b, 1924a, 1955b, 1957a), Huber (1969a), Kvičala (1938a), Maček (1999a), de Meijere (1926a), Michalska (1970a), Nowakowski (1954a), Ostrauskas, Pakalniškis & Taluntytė (2003a), Pakalniškis (1986a), Robbins (1991a), Skala & Zavřel (1945a), Spencer (1976a), Starý (1930a), von Tschirnhaus (1999a), Zoerner (1969a).

mod 22.iii.2018