Plantparasieten van Europa

bladmineerders, gallen en schimmels

Phytomyza phillyreae

Phytomyza phillyreae Hering in Buhr, 1930

Phytomyza phillyreae mines

Phillyrea latifolia, Griekenland, Lesbos, Agiásos

Phytomyza phillyreae mine

detail

mijn

Gang van hooguit 2 cm, voortgezet in, en vaak overlopen door een latere bovenzijdige, slordige blaas, die meestal in het topdeel van het blad ligt. Frass geconcentreerd in het centrum van de blaas; daar vindt ook de verpopping plaats. Het puparium is met verdroogde frass gekit aan de bodem en plafond van de mijn. Voor- of achterspiracula steken niet door de epidermis heen, maar bij de voorzijde van het puparium heeft de mijn wel een lichtgekleurde, dunne plek (onderste foto).

waardplanten

Oleaceae, monofaag

Phillyrea angustifolia, latifolia.

fenologie

Larven in maart-april (Hering, 1957a).

verspreiding binnen Europa

Middellandse Zee-gebied van Iberië tot Turkije (Černý & Merz, 2006a; Fauna Europaea, 2009). In 2018 waargenomen in Engeland (Bedfordshire, Warrington ea).

larve

Beschreven door de Meijere (1937a); voorspiraculum klein, met 6 papillen; achterspiraculum met 5 ietwat langgerekte papillen.

puparium

synoniemen

Phytomyza unedo Séguy, 1953.

literatuur

Amsel & Hering (1933a), Buhr (1930a, 1941a,b), Černý & Merz (2006a), Ci̇velek, Çikman & Dursun (2008a), Covassi (1988a), Hering (1934c, 1957a, 1967a), Martinez (1987b), de Meijere (1937a), Spencer (1967a), Süss (1982a), lo Verde & Massa (1995a), Warrington, Banthorpe & Banthorpe (2018a).

Laatste bewerking 21.ix.2018