Phytomyza pullula Zetterstedt, 1848

duizendbladmineervlieg

op Asteraceae, Anthemideae

Mantinge

Tripleurospermum maritimum, Mantinge

Schinkelbos

Tripleurospermum maritimum, Amstelveen

mijn

Boven- of onderzijdige, zeer slanke gangmijn, zelfs in de fijnste bladslippen. Gewoonlijk loopt de mijn in de richting van de bladbasis. De gang is tot 14 cm lang (Sehgal, 1971a). Frass in parelsnoertjes en losse korrels, nauwelijks in sliertjes. Verpopping buiten de mijn.

waardplanten

Asteraceae, oligofaag

Achillea alpina, grandifolia, impatiens, ligustica, millefolium, nobilis, odorata, roseoalba; Anacyclus; Anthemis cotula; Cladanthus mixtus; Cota tinctoria; Cotula altissima, coronopifolia, nigellifolia, triumfettii; Daveaua anthemoides; Leucanthemopsis alpina; Matricaria chamomilla, discoidea; Tanacetum vulgare; Tripleurospermum hookeri, maritimum.

fenologie

Larven van mei tot september, in twee generaties (Hering, 1957a).

BENELUX

BE niet waargenomen (Fauna Europaea, 2008).

NE waargenomen (de Meijere, 1926a).

LUX niet waargenomen (Fauna Europaea, 2008).

verspreiding binnen Europa

Van Scandinavië en Finland tot het Iberisch Schiereiland, Corsica en Italië, en van Engeland tot de Baltische Staten en Hongarije (Fauna Europaea, 2008).

larve

Beschreven door de Meijere (1926a) en Sehgal (beide als Ph. matricariae). Achterspiraculum met 18-20 papillen.

puparium

Glanzend zwart.

synoniemen

Phytomyza matricariae Hendel, 1920; Ph. anthemidis Hering, 1928; Ph. gotlandica Rydén, 1952.

literatuur

Ahr (1966a), Amsel & Hering (1933a), Beiger (1970a, 1978a), Beuk (2002a), Buhr (1932a, 1941b, 1964a), Černý (2001a, 2007a, 2011a), Černý & Merz (2005a, 2006a, 2007a), Černý & Vála (1996a, 1999a), Černý, Vála & Barták (2001a), Drăghia (1972a), Dreger & Myssura (2005a), van Frankenhuyzen, Houtman & Kabos (1982a), Hering (1925a, 1928a, 1931f, 1939a, 1956a, 1957a, 1963a), Huber (1969a), Kabos (1971a), Kvičala (1938a), Maček (1999a), Manning (1956a), de Meijere (1924a, 1926a, 1934a, 1937a, 1939a), Michalska (1970a), Ostrauskas, Pakalniškis & Taluntytė (2003a), Pakalniškis (1986a), Popescu-Gorj & Drăghia (1968a), Sehgal (1971a), Robbins (1991a), Skala (1936a), Skala & Zavřel (1945a), Sønderup (1949a), Spencer (1953a, 1966b, 1972a, 1976a), Starý (1930a), Süss & Moreschi (2003a), Surányi (1942a), von Tschirnhaus (1982a, 1999a), Zoerner (1969a).

mod 19.vi.2019