Phytomyza pulsatillae Hering, 1924

mijn

Zwartbuin verkleurende gangmijn, bovenzijdig, maar beginnend bij een klein gespiraliseerd vlekje aan de bladonderzijde. Frass in samenhangende korrels of parelsnoertjes, soms schijnbaar in een centrale band. Verpopping buiten de mijn, boogsnede in de bovenepidermis.

waardplanten

Ranunculaceae, oligofaag

fenologie

Larven van juni tot september, in twee generaties.

BENELUX

Niet bekend uit de Benelux-landen (Fauna Europaea, 2009).

verspreiding binnen Europa

Van Zweden tot het Iberisch Schiereiland en en Italië, en van Duitsland tot de Baltische Staten (Fauna Europaea, 2009).

larve

Beschreven door de Meijere (1928a, 1938a, 1939a). Mandibel met twee tanden, alternerend. Voorspiraculum knopvormig met 12 papillen, achterspiraculum gegaffeld met 17 papillen.

Phytomyza pulsatillae: post. spiraculum

achterspiraculum (uit Nowakowski, 1962b)

puparium

Geel.

synoniemen

Phytomyza rectae pulsatillae; Ph. hoppiana Hering, 1931.

literatuur

Buhr (1932a), Černý (2013a), Černý & Merz (2007a), Hartig (1939a), Hering (1924b, 1931-32f, 1957a), Huber (1969a), de Meijere (1928a, 1938a, 1939a), Nowakowski (1954a, 1958a, 1962b), Pakalniškis (1995a, 2004a), Sønderup (1949a), Spencer (1976a), Starý (1930a), Süss (1992a), von Tschirnhaus (1999a).

mod 9.i.2019