Phytomyza rhodopaea Beiger, 1979

Diptera, Agromyzidae

mijn

Groenige bovenzijdige blaas in de top van het blad; secundaire vraatlijnen zichtbaar (?); frass in korrels en sliertjes; verpopping buiten de mijn.

waardplanten

Boraginaceae, monofaag

Symphytum ottomanum.

fenologie

Larven in de tweede helft van mei.

BENELUX

Niet bekend uit de Benelux-landen (Fauna Europaea, 2009).

verspreiding binnen Europa

Bulgarij√ę (Fauna Europaea, 2009).

larve

Mandibel twee-tandig, alternerend. Voorspiraculum gegaffeld, met 8 papillen; achterspirculum zwak gegaffeld, met 13 papillen. Onder de mandibels een veldje met fijne cuticulaire stekeltjes.

opmerkingen

Op grond van de spiracula lijkt deze soort aan te sluiten bij Ph. lithospermi. De beschrijving van rhodopaea is echter incompleet op twee punten die Beiger (1975a) gebruikte bij de analyse an deze groep van soorten: er wordt geen gewag gemaakt van de eventuele aanwezigheid van een bult dorsaal op het mesonotum, en evenmin wordt expliciet vermeld dat de larve solitair is. Op dit moment is de waardplant waarschijnlijk het beste houvast om deze soort te determineren. Ook het bestekelde veldje onder de mandibels kan van belang zijn; over de aanwezigheid ervan wordt door Nowakowski niets gezegd in zijn beschrijving van lithospermi.

literatuur

Beiger (1979a,c), Spencer (1990a).

10.iii.2009

mod 18.vii.2017