Plantparasieten van Europa

bladmineerders, gallen en schimmels

Phytomyza salviae

Phytomyza salviae (Hering, 1924)

mijn

Bovenzijdige gangmijn. Het eerste en laatste deel van de gang zijn weinig gewonden, maar het middensegment daarentegen is zo compact gewonden det een secundaire blaas ontstaat, met duidelijke primaire en secundaire vraatlijnen. Frass in parelsnoertjes. Verpopping buiten de mijn.

waardplanten

Lamiaceae, oligpfaag

Ballota nigra; Salvia nemorosa, pratensis, verticillata.

De associatie met Ballota is alleen bekend uit Rusland. In westelijk Europa is Salvia verticillata de belangrijkste waardplant.

fenologie

Larven in mei en juli-augustus (Hering, 1957a).

BENELUX

Niet bekend uit de Benelux-landen (Fauna Europaea, 2009).

verspreiding binnen Europa

Duitsland, Polen, Zwitserland, Tsjechië, Slovenië, Bulgarijë.

larve

Mandibels met twee tanden, zwak alternerend. Geen frontaal aanhangsel. Voorspiraculum met ca 12 papillen, achterspiraculum met ca 15 papillen in een driekwart cirkel (de Meijere, 1926a).

Phytomyza salviae: spiracula

voor- en achterspiraculum (uit de Meijere, 1926a).

synoniemen

Napomyza salviae; Phytomyza ballotae Hering 1930. Over de door von Tschirnhaus veronderstelde synonymie met Ph. rydeni zie aldaar.

literatuur

Beiger (1960a, 1965a, 1979a), Buhr (1941b), Černý & Merz (2007a), Černý & Vála (1996a), Hartig (1939a), Hering (1924a, 1930b, 1957a), Kvičala (1938a), Maček (1999a), de Meijere (1926a), Skala (1951a), Skala & Zavřel (1945a), Surányi (1942a), von Tschirnhaus (1999a).

Laatste bewerking 23.iii.2018