Plantparasieten van Europa

bladmineerders, gallen en schimmels

Phytomyza spinaciae

Phytomyza spinaciae Hendel, 1935

Phytomyza spinaciae mine

Cirsium arvense, Nieuwendam

Phytomyza spinaciae eggPhytomyza spinaciae mine

puparium in de mijn; dwarsdoorsnede door de interprenchymale mijn

Phytomyza spinaciae: mines on Cirsium arvense

Cirsium arvense, Flevoland, Reve-Abbertbos © Hans Jonkman

Phytomyza spinaciae: mines on Cirsium arvense

ongewoon zware bezetting

Phytomyza spinaciae on Cirsium oleraceum

Cirsium oleraceum: afwijkende, bovenzijdige mijn; Duitsland, Neder-Saxen, Bennin; © Kees Boele

mijn

Opvallend lange, interparenchymale, daardoor geelgroene, gangmijn die zich nauwelijks verbreedt. (Bij sommige planten als Cirsium oleraceum met dunne bladeren zijn de mijnen niet interparenchymaal maar afwisselend onder- en bovenzijdig of voldiep). De mijn maakt weinig bochten, en bijna nooit een U-bocht, zodat de gang vaak bijna de hele lengte van een blad beslaat. Frass in twee rijen korrels langs de zijden van de gang. De larve verpopt in de mijn, in een onderzijdig kamertje. De voorspiracula steken door de epidermis naar buiten.

waardplanten

Asteraceae, oligofaag

Carduus acanthoides, crispus, nutans; Centaurea benedicta; Cirsium acaulon, arvense, dissectum, helenioides, oleraceum, palustre, tuberosum, vulgare; Cyanus segetum; Onopordum acanthium; Serratula.

De belangrijkste waardplant is de algemene, ruderale, Cirsium arvense.

fenologie

Eerste generatie in midden mei, daarna volgt er een aantal overlappende generaties tot in september (Griffiths, 1959a).

BENELUX

BE wargenomen (Scheirs ea, 1994a; Scheirs, De Bruyn & von Tschirnhaus, 1996a).

NE waargenomen (van der Wulp, 1871a, als affinis).

LUX waargenomen (Ellis: Dudelange, Hobscheid, Flaxweiler).

verspreiding binnen Europa

Van Scandinavië en Finland tot het Iberich Schiereiland, en van Engeland tot Litouwen en Tsjechië (Fauna Europaea, 2008); ook Italië (Süss, 2003a).

larve

puparium

synoniemen

Phytomyza affinis: auct.

opmerkingen

Zeer talrijk, al kan de abundantie van jaar tot jaar sterk uiteenlopen.

literatuur

Ahr (1966a), Beiger (1955a, 1960a), Beuk (1999a), Buhr (1932a, 1941b, 1964a), Černý (2001a, 2011a), Černý, Vála & Barták (2001a), Dreger & Myssura (2005a), van Frankenhuyzen Houtman & Kabos (1982a), Griffiths (1959a, 1962a), Hering (1925a, 1955b, 1957a), Huber (1969a), Kabos (1971a), Kvičala (1938a), Maček (1999a), Manning (1956a), Masetti, Lanzoni, Burgio & Süss (2004a), de Meijere (1924a, 1926a, 1934a, 1938a, 1939a), Michalska (2003a), Nowakowski (1954a), Ostrauskas, Pakalniškis & Taluntytė (2003a), Pakalniškis (1986a, 1990a, 1994a, 1998a), Robbins (1991a), Scheirs ao (1994a), Scheirs, De Bruyn & von Tschirnhaus (1995a, 1996a), Skala & Zavřel (1945a), Sønderup (1949a), Spencer (1953a, 1976a), Stammer (2016a), Starke (1942a), Starý (1930a), Süss (2003a), von Tschirnhaus (1999a), Utech (1962a), Vála & Rohacek (1983a), Ureche (2010a), van der Wulp (1871a), Zoerner (1969a, 1970a).

Laatste bewerking 23.x.2017