Phytomyza trolliivora Hering 1935

mijn

Primaire, bovenzijdige blaasmijn met een centrale ophoping van frass. Verpopping buiten de mijn; boogsnede in bovenepidermis.

waardplanten

Ranunculaceae, nauw monofaag

Trollius altissimus, europaeus

fenologie

Larven in juni en augustus (Hering, 1957a).

BENELUX

Niet bekend uit de Benelux-landen (Fauna Europaea, 2009).

verspreiding binnen Europa

Van Scandinavië tot de Pyreneeën en Alpen, en van Engeland tot de Baltische Staten (Fauna Europaea, 2009).

larve

Mandibel met 4 tanden; achterspriaculum met ca 20 papillen (de Meijere, 1937a).

literatuur

Bland, Godfray & Henshaw (1999a), Černý (2009a), Černý & Merz (2007a), Hering (1957a), Huber (1969a), de Meijere (1937a), Pakalniškis (2004a), Sønderup (1949a), Spencer (1976a), von Tschirnhaus (1999a).

mod 10.iii.2018