Phytomyza virgaureae Hering, 1926

mijn

Smal beginnende, zich geleidelijk zwak verbredende bovenzijdige, bleekgroene, gangmijn, 10-12 cm lang. Vraatlijnen niet erg opvallend. Frass in losse korrels of korte parelsnoertjes. De larve verlaat de mijn voor de verpopping via een boogsnede in de onderepidermis.

waardplanten

Asteraceae, oligofaag

Bellis perennis; Solidago virgaurea & subsp. minuta.

fenologie

Larven in juni-juli (Hering, 1957a).

BENELUX

Niet bekend uit de Benelux-landen (Fauna Europaea, 2008).

verspreiding binnen Europa

Van Scandinavië tot de Pyreneeën en Italië, en van Ierland tot Polen (Fauna Europaea, 2008).

larve

Dempewolf (2001a) geeft een uitvoerige beschrijving; zie ook de Meijere (1937a), Beiger (1960) en Griffiths (1976c). Voorspiraculum met 11-12 papillen, achtespiraculum met ca 14 papillen in een onregelmatige boog.

puparium

Zie Beiger (1960).

synoniemen

Phytomyza umensis Rydén, 1949; Ph. simmi Beiger, 1959.

literatuur

Andersen & Jonassen (1994a), Beiger (1955a, 1960a, 1970a, 1972e, 1978a, 1979a), Bland (1992b, 1994b), Buhr (1941b, 1964a), Černý & Merz (2007a), Černý & Vála (1996a), Dempewolf (2001a), Dreger & Myssura (2005a), Griffiths (1976c), Hering (1926b, 1955b, 1957a), Huber (1969a), Maček (1999a), de Meijere (1937a), Nowakowski (1954a), Rydén (1951b, 1956a), Sasakawa (2005a), Sønderup (1949a), Spencer (1972a, 1976a), Stammer (2016a), Starke (1942a), Süss (1982a), Surányi (1942a), von Tschirnhaus (1999a).

mod 10.vii.2018