Phytomyza vitalbae Kaltenbach, 1872

Phytomyza vitalbae mine

Clematis vitalba, Amstelveen

Phytomyza vitalbae mine

onderzijde

Phytomyza vitalbae: mine on Clematis vitalba

Clematis vitalba, België, prov. Namen, Phillippeville, Romedenne © Stéphane Claerebout. Raadselachtige mijn: het begin is duidelijk aan de linkerzijde, en het einde ligt bovenop de hoofdnerf, waar de larve de mijn heeft verlaten – maar hoe past de gang rechts in dat beeld??

mijn

Het ei wordt afgezet aan de bladonderzijde. Na een onderzijdig begingangetje van enkele mm volgt een bovenzijdige gangmijn, die meestal met een kluwen aan de bladtop begint. Frass in lange parelsnoertjes langs de gangwanden. In vers materiaal primaire vraatlijnen zichtbaar. De larve verlaat de mijn voor de verpopping via een boogvormige snede in de onderepidermis. Aangetaste bladeren zijn vaak verfomfaaid. De voedingsprikjes zijn onderzijdig.

waardplanten

Ranunculaceae, monofaag

Clematis alpina, flammula, heracleifolia, recta, vitalba.

fenologie

Mijnen vanaf begin mei.

BENELUX

BE waargenomen (De Bruyn & von Tschirnhaus, 1991a).

NE waargenomen (de Meijere, 1924a).

LUX waargenomen (Ellis: Kautenbach, Dudelange, Ahn).

verspreiding binnen Europa

Geheel Europa, uitgezonder de Balkan (Fauna Europaea, 2008).

larve

puparium

opmerkingen

Volgens Hering (1957a) is het begin van de mijn bovenzijdig, een kernmerk waaraan hij veel waarde hecht.(Waarschijnlijk negeerde hij daarbij de paar mm onmiddellijk na het ovipositielitteken.) Verscheidene malen worden echter populaties aangetroffen waar een paar cm van de mijn onderzijdig is. Mede door het frasspatroon doen deze mijnen denken aan die van Liriomyza bryoniae.

In Nieuw Zeeland geïntroduceerd ter bestrijding van de eveneens geïntroduceerde bosrank (Paynter ea, 2006a).

literatuur

Ahr (1966a), Beiger (1979a), Beuk (2002a), Bland (2001a), De Bruyn & von Tschirnhaus (1991a), Buhr (1932a, 1941b), Černý (2007a, 2011a), Černý & Merz (2005a, 2006a, 2007a), Černý & Vála (1999a, 2006a), Drăghia (1967a, 1968a, 19171a), van Frankenhuyzen & Houtman (1972a), van Frankenhuyzen Houtman & Kabos (1982a), Griffiths (1956b), Hartig (1939a), Hering (1924a, 1932g, 1936b, 1955b, 1957a, 1967a), Huber (1969a), Kabos (1971a), Maček (1999a), Matošević, Pernek, Dubravac & Barić (2009a), de Meijere (1924a, 1926a, 1939a), Mihajlović, Spasić, Petanović & Mihajlović (1998a), Nowakowski (1954a), Pârvu (2005a), Paynter ao (2006a), Popescu-Gorj & Drăghia (1966a), Robbins (1991a), Skala & Zavřel (1945a), Sønderup (1949a), Spencer (1972a, 1976a), Stammer (2016a), Starke (1942a), Starý (1930a), Süss & Moreschi (2003a), von Tschirnhaus (1999a), Ureche (2010a).

mod 17.iii.2018