Chirosia griseifrons (Séguy, 1923)

op Athyrium, ? Dryopteris

Chirosia griseifrons: cephalic skeleton

kopskelet (uit Dušek)

Chirosia griseifrons: puparium

puparium

mijn

Lange gang in de bladsteel, afdalend tot aan de basis, daarna weer naar boven lopend. De bladsteel is zwart, en het blad sterk verkommerd en verfomfaaid. De mijngang ligt overal vrij diep, en er zijn geen plekken waar hij bijna aan de epidermis raak, zoals in de mijn van Heptameles ochroleucus. Het puparium wordt gevormd na het verlaten van de mijn, via een gaatje in de bolle buitenzijde van de bladsteel.

waardplanten

Woodsiaceae, monofaag?

Athyrium filix-femina.

volgens Robbins (1991a) zelden ook Dryopteris.

fenologie

Volgroeide larven zijn gevonden tussen eind juli en midden augustus (de Meijere, 1911a).

BENELUX

BE niet waargenomen (Fauna Europaea, 2007).

NE waargenomen (de Meijere, 1911a, als Chortophila latipennis).

LUX niet waargenomen (Fauna Europaea, 2007).

verspreiding binnen Europa

Van Scandinavië tot de Pyreneën, en van Engeland tot Polen; ook delen van Europees Rusland (Fauna Europaea, 2007).

larve

De larve, die ca 7 mm lang is en geelwit tot strogeel van kleur, wordt gedetailleerd beschreven door de Meijere en Dušek.

puparium

Beschreven door Stork and Dušek.

synoniemen

De gedetailleerde beschrijving door de Meijere is in de latere literatuur vaak geciteerd. Kortgeleden ontdekte Ackland (2002a) echter dat de Meijere zich bij de determinatie van de mineerder heeft vergist, en dat het niet om Chortophila (ook wel Phorbia of Acrostilpna) latipennis Zetterstedt, 1838, gaat, maar om Chirosia griseifrons.

literatuur

Ackland (2002a), Dušek (1969a), Kabos (1975a) , de Meijere (1911a), Robbins (1991a), Stork (1936a).

mod 17.iii.2019