Plantparasieten van Europa

bladmineerders, gallen en schimmels

Delia florilega

Delia florilega (Zetterstedt, 1845)

mijn

De larve leeft primair in stengel en bladsteel, maar kan van daaruit gangachtige uitlopers maken in de bladschijf. Mijnen zouden mogelijk te onderscheiden zijn van die van Botanophila fugax doordat Delia-mijnen verscheidene larven zouden bevatten, Botanophila-mijnen slechts één (Robbins, 1991a). In larven en mijnen geen verschilkenmerken bekend met D. platura en Pegomya flavifrons.

waardplanten

Brassicaceae, Caryophyllaceae; polyfaag

Brassica; Cerastium; Spergularia.

fenologie

Larven in april-mei en september-october (Hering, 1957a).

BENELUX

BE waargenomen (Gosseries & Ackland, 1991a).

NE waargenomen (de Meijere, 1939a).

LUX niet waargenomen (Fauna Europaea, 2007).

verspreiding binnen Europa

Van Scandinavië tot het Iberisch Schiereiland en Italië, en van Ierland tot Polen en Hongarije; ook grote delen van Europees Rusland (Fauna Europaea, 2007).

ei, larve, pop

zie Miles.

synoniemen

Chortophila florilega; Delia litura (Meigen, 1838), D. trichodactyla (Rondani, 1866).

literatuur

Beuk, Prijs & de Jong (2002a), Gosseries & Ackland (1991a), Hering (1957a), de Meijere (1939a), Milles (1952a), Robbins (1991a), Savage, Fortier, Fournier & Bellavance (2016a), Tischler (1999a).

Laatste bewerking 2.v.2023