Psilopa leucostoma (Meigen, 1830)

Diptera, Ephydridae

mijn

De mijn begint bij een klein en teer eischaaltje aan de onderzijde van het blad, dat vaak spoedig afvalt. Vandaar loopt een dun, gewoonlijk onderzijdig, gangetje van enkele cm, met nogal wat onregelmatige uitknagingen en zijtakken, dat vrij plotseling overgaat in een blaasje van 0.5-1 cm. In de blaas hier en daar voldiepe gedeelten. Oude mijnen vaak zwartig. Verpopping gewoonlijk in de mijn. Vaak een aantal mijnen in een blad (Krämer, 1962a).

waardplanten

Aamaranthaceae, oligofaag

Beta; Chenopodium

fenologie

Larven in mei-juni (Krämer, 1962a).

BENELUX

BE waargenomen (Gosseries, 1991d).

NE waargenomen (de Meijere, 1939a).

LUX niet waargenomen (Fauna Europaea, 2008).

verspreiding binnen Europa

Geheel Europa, met mogelijke uitzondering van Ierland en de Balkan (Fauna Europaea, 2008).

larve

De voorspiracula lopen uit in drie takken, met respectievelijk 3-4, 1, en 1-2 papillen (Hering, 1962a).

opmerkingen

Herbarium-materiaal dat Jaap Zwier verzamelde in Yzevoorde op Beta verzamelde behoort mogelijk tot deze soort. Bij twee van drie mijnen was de rest van een teer eischaaltje zichtbaar, maar dit, evenals de begingang en rest van de mijn, was bovenzijdig. De frass was spaarzaam, in grove korrels; de mijnen waren leeg.

literatuur

Beuk & Zatwarnicki (2002a), Gosseries (1991d), Hering (1957a, 1962a), Krämer (1962a), de Meijere (1939a), Skuhravy ao (1967a),

28.x.2008

mod 28.vi.2017