Delina nigrita (Fallén, 1819)

orchideeënmade

mijn

De mijn begint als een boorgang in de wortelstok en stengel. Vandaar worden lange, slordig uitgevreten gangen in de bladeren gemaakt. De verpopping vindt plaats in de ondergrondse delen van de plant.

waardplanten

Orchidaceae, oligofaag

Dactylorhiza; Goodyera repens; Gymnadenia; Himantoglossum; Neottia; Orchis anthropophora; Platanthera bifolia.

fenologie

Larven in juni-juli (Hering, 1957a).

BENELUX

BE niet waargenomen (Fauna Europaea, 2007).

NE waargenomen (de Meijere, 1940a).

LUX niet waargenomen (Fauna Europaea, 2007).

verspreiding binnen Europa

Van Scandinavië tot Zwitserland, en van Ierland tot Slowakjië; ook Spanje (Fauna Europaea, 2007).

larve

Delina nigrita from de Meijere 1940b

Delina nigrita larve, voorspiraculum (uit de Meijere, 1940b)

Beschreven door de Meijere (1940b). Achterspiracula op een gemeenschappelijke grote zwarte vlek, elk met ca. 20 papillen; mandibel met 2 tanden.

synoniemen

Clidogastra nigrita; Delina dejeani Robineau-Desvoidy, 1930.

literatuur

Ball (2007a), Beiger (1970a), Hering (1957a), de Jong (2002a), de Meijere (1940b), Robbins (1991a).

mod 1.xii.2017