Hydromyza livens (Fabricius, 1794)

9518

Nuphar lutea, Schellingwoude

mijn

Het ei wordt afgezet aan de onderzijde van het blad, op enige afstand van de bladrand. Mijnen al van veraf zichtbaar als lange weinig gekronkelde gangen in de bladbovenzijde, vaak verscheidene in één blad. De gangen lopen naar de aanhechting van de bladsteel. Van hier uit leven de larven als boorders in de bladsteel. Ze verpoppen zich ook in de bladsteel. Een deel van de poppen is dunwandig, en komt al in augustus uit. Een ander deel is dikwandig; deze poppen overwinteren in de stengel, en stijgen in het voorjaar naar het oppervlak als de bladsteel is weggerot (de Meijere, 1895a; Hering, 1957a; Brock & van der Velde, 1987a).

waardplanten

Nymphaeceae, oligofaag

Nuphar lutea, pumila

Volgens Brock & van der Velde (1987a) zijn alle berichten over het voorkomen op Nymphaea onjuist.

fenologie

Larven in juli (Hering, 1957a).

BENELUX

BE waargenomen (Gosseries, 1991b).

NE waargenomen (de Meijere, 1939a).

LUX niet waargenomen (Fauna Europaea, 2007).

verspreiding binnen Europa

Van Scandinavië tot de Pyreneeën, en van Engeland tot Polen en Hongarijë (Fauna Europaea, 2007).

larve

Zie Brock & van der Velde (1987a).

synoniemen

Nupharia rivularis Robineau-Desvoidy, 1830.

opmerkingen

Brock & van der Velde (1987a) geven een gedetailleerde autoecologische beschrijving van de soort.

literatuur

Ball (2007a), Brock & van der Velde (1987a), Buhr (1933a), Collins (1958a), van Frankenhuyzen, Houtman & Kabos (1982a), Gosseries (1991b), Hayhow (1999a), Hering (1932d, 1957a), Huber (1969a), de Jong (2002a), de Meijere (1895a, 1939a, 1940c), Püchel (1999a), Robbins (1991a), Sønderup (1949a), Stammer (2016a), Surányi (1942a), Ureche (2010a).

31/03/2017

mod 23.vii.2017