Haplodiplosis marginata (von Roser, 1840)

tarwestengelgalmug

op grassen

gal

De halm, meestal boven de bovenste knopen, met een of meer smalle zadelvormige verdiepingen. In elk één bloedrode larve. Univoltien. Overwintering, en daarna verpopping, in de grond.

waardplanten

Poaceae, oligofaag

Alopecurus myosuroides; Arrhenatherum elatius; Avena sativa; Dactylis glomerata; Elytrygia intermedia subsp. trichophora, repens; Holcus mollis; Hordeum vulgare; Lolium temulentum; Phleum pratense; Poa pratensis; Schedonorus pratensis; Secale cereale; Triticum aestivum.

larve

Haplodiplosis marginata: spatula

spatula met papillen (uit Möhn, 1955a)

synoniemen

Clinodiplosis, Diplosis, Haplodiplosis, equestris Wagner, 1871.

opmerkingen

Schadelijk op graangewassen.

Gewoonlijk verpoppen de larven zich in de grond zonder een cocon aan te maken. In sommige gebieden in West-Europa gebeurt dit echter wel, vermoedelijk als bescherming tegen ongunstige weersinvloeden, met name droogte (Censier ea, 2014a).

literatuur

Buhr (1964b, 1965a), Censier, Chavalle, Knor, De Proft, Bodson & Skuhravá (2014a), Dauphin & Aniotsbehere (1997a), Gagné (2010a), Houard (1908a), Möhn (1955a), Redfern & Shirley (2011a), Roskam (2009a, 2019a), Roskam & Carbonnelle (2015a), Rübsaamen (1895a), Simova-Tošić, Skuhravá & Skuhravý (2000a, 2004a), Skuhravá & Skuhravý (1994a, 1999a), Skuhravá, Skuhravý, Dauphin & Coutin (2005a), Skuhravá, Skuhravý, Dončev & Dimitrova (1991a, 1992a), Skuhravá, Skuhravý & Jørgensen (2006a), Skuhravá, Skuhravý & Meyer (2014a), Skuhravá, Skuhravý, Skrzypczyńska & Szadziewski (2008a).

mod 13.x.2019