Contarinia quercina (Rübsaamen, 1890)

op Quercus

gal

De larven leven in de ontluikende knoppen, waardoor het zich ontvouwende blad zeer wordt beschadigd, en er een onregelmatig rozet van misvormde bladeren ontstaat. Er zijn twee generaties; vooral de tweede, die optreedt op het sint-janslot, heeft een groot effect. De larven zijn gregair, wit, en kunnen springen. Overwintering in de grond.

waardplanten

Fagaceae, monofaag

Quercus cerris, frainetto, petraea, pubescens, robur.

synoniemen

Diplosis dryophila Kieffer, 1890; Contarinia quaesita Tavares, 1916.

opmerkingen

Kan in boomkwekerijen ernstige schade veroorzaken.

inquilinen

zie Dasineura dryophila, Arnoldiola quercus en Macrolabis quercicola.

literatuur

Béguinot (2000b, 2007b), Bruun (2015a), Buhr (1965a), Cogolludo (1921a), Csóka (2012a), Dauphin & Aniotsbehere (1997a), Houard (1908a), Kieffer (1891a), Redfern & Shirley (2011a), Roskam & Carbonnelle (2015a), Simova-Tošić, Skuhravá & Skuhravý (1996a, 2000a, 2004a), Skuhravá (1989a), Skuhravá & Skuhravý (1988a, 1994a,b, 1997a,b, 1999a,b, 2004b, 2005c, 2008a, 2009b, 2010a, 2011a), Skuhravá, Skuhravý, Blasco-Zumeta & Pujade-Villar (2006a), Skuhravá, Skuhravý, Dauphin & Coutin (2005a), Skuhravá, Skuhravý & Dengler (1997a), Skuhravá, Skuhravý, Dončev & Dimitrova (1991a, 1992a), Skuhravá, Skuhravý & Jørgensen (2006a), Skuhravá, Skuhravý & Massa (2007a), Skuhravá, Skuhravý & Meyer (2014a), Skuhravá, Skuhravý & Neacsu (1972a), Skuhravá, Skuhravý, Skrzypczyńska & Szadziewski (2008a), Stelter (1994a), Tomasi (2014a).

mod 21.viii.2018