Cinara nuda Mordvilko, 1894

op Pinus

parasiet

Ongevleugelde luizen 3-4 mm, sterk brons-glanzend, bijna zonder was-bepoedering. Dorsale haren kort, rechtopstaand, stevig. In grote kolonies op 2-8 jaar oude delen van de stam en onderste takken; in het voorjaar op jongere scheuten. Altijd door mieren bezocht.

Kort na de winter, wanneer de jonge scheuten nog niet zijn uitgelopen, zijn de larven al wel actief. Ze voeden zich dan, zittend in rijen, op de maalden; in die periode zijn ze wél dicht met was bepoederd. Nadat nieuwe scheuten beschikbaar komen stappen ze daarop over en laten de naalden ongemoeid (Weis).

waardplanten

Pinaceae, nauw monofaag

Pinus mugo, nigra, sylvestris, unicinata.

Vooral op P. sylvestris (Weis)

synoniemen

Cunaria nudal; Cinara, Cinaria, escherichi (Börner, 1950).

literatuur

Albrecht (2017a), Blackman & Eastop (2017), Börner & Franz (1956a), Börner & Heinze (1957a), Heie (1995a), Krzywiec (1982a), Lampel & Burgener (1966a), Lampel & Meier (2003a), Nieto Nafría, Mier Durante, Binazzi & Pérez Hidalgo (2002a), Osiadacz & Wojciechowski (2008a), Ripka, Reider & Szalay-Marzsó (1998a), Weis (1955a), Wojciechowski, Depa, Halgoš ao (2016a).

mod 29.i.2019