Adelgidae

Binen de Hemiptera vormen de Sternorrhyncha de grootste en meest complexe groep. Binnen de Sternorrhyncha geldt ditzelfde voor de Aphidomorpha, de bladluizen en verwanten. Aphidomorpha hebben een zeer lange zuigsnuit (de in rust binnen het lichaam wordt opgeborgen).

Veel Aphidomorpha-soorten vertonen waard-wisseling. Daarbij legt een bevrucht wijfje eieren op plantensoort A; die jonge dieren ontwikkelen zich daar ook, maar eenmaal volgroeid migreren ze naar plantensoort B, waar ze parthenogenetisch een aantal generaties doormaken. Tegen het eind van de zomer ontstaan naast vrouwtjes ook weer mannetjes waarna de cyclus herbegint. Plantensoort A, de primaire waardplant, is gewoonlijk een boom of struik, B, de secundaire, een kruid.

Ook bij Adelgidae, een kleine groep van bladluizen, vindt waard-wisseling plaats, maar zowel de primaire als de secundaire waardplant zijn coniferen (Pinaceae). Bij parthenogenetische fase worden geen levende jongen geproduceerd, zoals bij de echte bladluizen, maar onbevruchte eieren. Op de primaire waardplant, altijd een Picea-soort, worden gallen veroorzaakt. In tegenstelling tot bladluizen, Aphididae, hebben Adelgidae geen siphunculi, maar wel een echte legboor.

literatuur

Blackman & Eastop (2014), Börner & Heinze (1957a), Carter (1971a), Havill & Foottit (2007a), Richards & Davies (1977a).

05/12/2014

mod 26.vi.2018