Dreyfusia nordmannianae (Eckstein, 1890)

kaukasische sparrenluis

op Picea, primaire waardlant

Dreyfusia nordmannianae gall

Picea orientalis, Putten, arboretum Schovenhorst

gal

De eindelingse, bolvormige gallen zijn 2-15 mm groot, jong roze en gelijkend op een aardbei; later worden ze groenig met een rode of paarse tint aan de basis en de top van de schubben. Ze gaan meestal in juni open.

waardplanten

Pinaceae, nauw monofaag

Picea orientalis.


op Abies, secundaire waardplant

gal

Vooral op Abies alba doen de luizen grote schade. De naalden krullen naar beneden in; taksterfte en hergroei leidt tot bossig uitziende bomen; jonge bomen sterven af. De luizen zitten op de takken, zelden op de naalden. Ze lijken op die van Aphrastasia pectinatae, maar de wasdraden zijn veel dunner en meer gekruld. Ze worden niet door mieren bezocht.

waardplanten

Pinaceae, monofaag

Abies alba, balsamea, cephalonica, cilicia, concolor, firma, grandis, homolepis, nordmanniana, procera, sibirica, veitchii.

synoniemen

Adelges nordmannianae.

opmerkingen

Oorspronkelijk een soort uit de Kaukasus, waar hij alterneert tussen Picea orientalis en Abies nordmanniana. Met het aanplanten van de laatstgenoemde soort is de luis over grote delen van Europa verspreid, en daar overgegaan op Abies alba. Omdat Picea orientalis daar van nature niet voorkomt heeft er geen waardwisseling meer plaats.

literatuur

Albrecht (2017a), Binazzi & Covassi (1991a), Blackman & Eastop (2017), Börner & Franz (1956a), Buhr (19645), Dauphin & Aniotsbehere (1997a), Carter (1971a), Hellrigl (2004a), Houard (1908a), Kollár (2007a, 2011a), Lampel & Meier (2003a), Redfern & Shirley (2011a), Ripka, Reider & Szalay-Marzsó (1998a), Roskam (2009a, 2019a), Tomasi (2003a). Wojciechowski, Depa, Halgoš ao (2016a).

mod 13.ix.2019