Craspedolepta nebulosa (Zetterstedt, 1828)

op Chamerion

gal

Omstreeks juni legt het wijfje eieren aan de onderzijde van een zeer jong blad in een rij langs de hoofdnerf. Met het groeien van het blad verschuift de rij eieren meer en maar naar de bladrand, die zich om eieren en eerste stadium larven heen vouwt. (In uitzonderingsgevallen worden de eieren aan de bovenzijde van het blad gelegd, en de bladrand krult dan naar boven over de larven). Nog voor de eerste vervelling verlaten de larven de gal en laten zich op de grond vallen. Ze zuigen dan aan de wortels, die gaan woekeren en een bolvormige kluwen gaan vormen, zoals de wortelgallen van C. subpunctata. Na de overwintering migreren zwarte 4-stadiumlarven naar boven, vervellen op de plant tot bleekbruine 5e stadium larven die een of twee weken aan de onderzijde van het blad leven, daarna volwassen worden en eieren leggen (Lauterer, 1993a).

waardplanten

Onagraceae, monofaag

Chamerion angustifolium.

synoniemen

Aphalara, Neocraspedolepta, Paracraspedolepta, nebulosa.

literatuur

Béguinot (2012a), Bird & Hodkinson (1999a, 2005a), Buhr (1964b), Burckhardt (1983a, 2002a), Burckhardt & Kofler (1991a), Conci, Rapisarda & Tamanini (1992a), Dauphin & Aniotsbehere (1997a), Hellrigl (2004a), Hodkinson (2009a), Hodkinson & White (1979a), Houard (1909a), Lauterer (1976a, 1993a), Lauterer & Dorow (2010a), Malenkovský & Lauterer (2012a), O’Connor & Malumphy (2011a), Ossiannilsson (1992a), Ouvrard, Burckhardt & Cocquempot (2015a), Redfern & Shirley (2011a), White & Hodkinson (1982a).

mod 6.vii.2018