Trioza apicalis Foerster, 1848

peenbladvlo

op Apiaceae

gal

larven aan de onderzijde van het blad, dat daardoor opbolt en vervormt. Larven plat, omgeven door een stralenkrans van witte wasdraden.

Bladkrullingen treden ook op bij jonge bladen, die niet met de bladvlooien in contact geweest zijn. Het effect van de insecten op de planten is dus systemisch. Univoltien; overwintering als imago op coniferen.

waardplanten

Apiaceae, oligofaag

Carum carvi; Daucus carota; Petroselinum crispum.

Daucus carota is de voornaamste waardplant (Láska, 2011a). Op basis van zijn revisie van de apicalis soortengroep noemt Burckhardt (1986a) slechts de hierboven genoemde soorten als waardplanten van apicalis s. str. Dit wordt later herhaald door Malenkovský & Lauterer (2012a). De hieronder genoemde soorten, die in de literatuur voor apicalis worden vermeld zijn waarschijnlijk waardplanten van andere soorten van de apicalis apicalis-groep (T. anthrisci, carpathica, laserpitii, lautereriella, mesembrina):

Aethusa; Angelica sylvestris; Anthriscus sylvestris; Chaerophyllum temulum; Coriandrum sativum; Heracleum sphondylium; Laserpitium latifolium; Pastinaca sativa; Peucedanum ostruthium; Pimpinella anisum, major.

larve

Zie Burckhardt & Freuler.

literatuur

Buhr (1964a, 1965a), Burckhardt (1983a, 1986a, 2002a), Burckhardt & Freuler (2000a), Coulianos & Holmåsen (1991a), Dauphin & Aniotsbehere (1997a), Hodkinson & White (1979a), Láska (2011a), Malenkovský & Lauterer (2012a), Ossiannilsson (1992a), Redfern & Shirley (2011a), Roskam (2009a), Seljak (2006a), Tomasi (2014a), White & Hodkinson (1982a).

mod 29.v.2018