Fenusa ulmi Sundevall, 1847

iepenmineerwesp

Fenusa ulmi: mine on Ulmus glabra

Ulmus glabra, Nieuwendam

Fenusa ulmi: mine on Ulmus glabra, frass

de verse frass ligt vaak in lange parelsnoertjes

Fenusa ulmi mines

Ulmus glabra, België, prov. Luik, Hucconge: vaak een aantal mijnen in een blad © Jean-Yves Baugnée

mijn

Glasheldere blaasmijn met een geelwitte larve. De mijn kan tenslotte een groot deel van het blad innemen. De mijn begint vaak in een nerfoksel, nooit aan de bladrand (Liston, 1994a); in grote bladeren blijft de mijn vaak begrensd door een paar zijnerven. Frass in zwarte korrels, aanvankelijk vaak in parelsnoertjes, in oudere mijnen als losse korrels.

waardplanten

Ulmaceae, monofaag

Ulmus americana, glabra, x hollandica, minor, rubra.

Naar aanleiding van onderzoek door Altenhofer (1980a,b,c) ontdekte Liston (1993b) dat, wat tot dan toe als F. ulmi werd beschouwd, in werkelijkheid drie soorten omvatte. Liston’s onderzoek was uitsluitend gebaseerd op volwassen dieren, en verschilkenmerken voor larven en mijnen zijn dan ook niet bekend, behalve dan dat elk van de drie beperkt lijkt te zijn tot één van de drie West-Europese iepen-soorten: F. ulmi op Ulmus glabra, carpinifoliae op U. minor, en altenhoferi op U. laevis; een paar jaar later werd overigens duidelijk dat F. carpinifoliae moest vervallen als synoniem van altenhoferi.

Een vermelding door Maček (1999a) van Carpinus betulus als waardplant is ongeloofwaardig.

fenologie

Mijnen in in mei-juni, soms talrijk.

BENELUX

BE waargenomen (foto hierboven).

NE waargenomen (Ellis: Amsterdam).

LUX niet waargenomen (Fauna Europaea, 2008).

verspreiding binnen Europa

Van Scandinavië en Finland tot de Pyreneeën, Italië en de Ukraïne, en van Engeland tot Litouwen (Fauna Europaea, 2008).

larve

synoniemen

Kaliofenusa, Kaliosysphinga ulmi.

Fenus ulmi = Kaliofenusa ulmi (Serville, 1823) is een onvoldoende bekende soort; het is wellicht de correcte naam van F. ulmi of F. altenhoferi, maar zolang het type niet is onderzocht, zo dat al bestaat, is daarover geen zekerheid en moet de naam worden genegeerd. Dat geldt dus ook voor meldingen van deze “soort”, zoals door Savina & Chevin.

opmerkingen

De soort is bijna volledig parthenogetisch (Liston, 2007b).

literatuur

Uiteraard hebben referenties van vóór de publicatie van Liston (1993) slechts betrekking op F. ulmi s. lat.

Altenhofer (1980a,b,c, 2003a), Altenhofer, Hellrigl & Mörl (2001a), Beiger (1979a), Blank ao (1998a), Buhr (1941a, 1964a), Csóka (2003a), van Frankenhuyzen & Houtman (1972a), van Frankenhuyzen Houtman & Kabos (1982a), Haase (1942a), Healy (1869a), Hering (1930e, 957a), Huber (1969a), Kirichenko, Augustin & Kenis (2018a), Lengesova (2008a), Liston (1993b, 1994a, 1995b, 2007b), Maček (1999a), Matošević, Pernek, Dubravac & Barić (2009a), Michalska (1976a), Michna (1975a), Nowakowski (1954a), van Ooststroom (1976a), Pieronek (1962a), Popescu-Gorj & Drăghia (1966a), Pschorn-Walcher & Altenhofer (2000a), Robbins (1991a), Savina & Chevin (2012a), Scobiola-Palade (1974a), Skala (1936a), Skala & Zavřel (1945a), Smith (1971a), Starý (1930a), Taeger, Blank & Liston (2006a), Sønderup (1949a), Stammer (2016a), Taeger ao (1998a), Viramo (1969a), Wahlgren (1944a, 1951a, 1963a), Zoerner (1969a).

mod 2.vii.2018