Profenusa thomsoni (Konow, 1886)

Profenusa thomsoni mine

Betula pubescens, Overveen

mijn

Blaasmijn, beginnend in het centrum van het blad; aan het begin van de mijn een zwakke frassprop; de mijn niet door de zijnerven beperkt, deze overschrijdend. Door samenvloeien van mijnen uiteindelijk een aantal larven in een gezamenlijke mijn.

waardplanten

Betulaceae, monofaag

Betula alleghaniensis, papyrifera, pendula, pubescens.

fenologie

Larven in augusutus – september (Hering, 1957a).

BENELUX

BE niet waargenomen (Fauna Europaea, 2008).

NE Pas in 1981 werd hij door Liston (1981a) uit Nederland vermeld.

LUX niet waargenomen (Fauna Europaea, 2008).

verspreiding binnen Europa

Van Zweden en Finland tot de Pyreneeën, Italië en Bulgarijë, en van Engeland tot Rusland (Fauna Europaea, 2008).

larve

synoniemen

Fenusella thomsoni; Profenusa alumna auct. nec (MacGillivray, 1923).

opmerkingen

Zou een voorkeur hebben voor oudere bladeren van de onderste takken (Lindquist, 1959a).

literatuur

Altenhofer, Hellrigl & Mörl (2001a), Beiger (1979a), Blank ao (1998a), Buhr (1941a), Digweed (2006a), Digweed ao (2009a), Haase (1942a), Hering (1937c, 1957a), Kirichenko, Augustin & Kenis (2018a), Kozlov, van Nieukerken, Zverev & Zvereva (2013a), Lindquist (1959a), Liston (1981a, 1995b), Lorenz & Kraus (1957a), Martin (1960a), Pieronek (1962a), Pieronek & Soltyk (1993a), Robbins (1991a), Savina & Chevin (2012a), Scobiola-Palade (1974a), Shaw (1981a), Skala & Zavřel (1945a), Smith (1966a, 1971a), Sønderup (1949a), Taeger, Blank & Liston (2006a), Viramo (1969a), Wahlgren (1951a), Watson (1959a), Zombori (1978a).

mod 2.vii.2018