Tenthredinidae

Verscheidenheid

De rond 900 Europese soorten van deze familie hebben een zeer uiteenlopende levenswijze. Een deel leeft buitenop de plant. De meeste minerende bladwespen horen echter eveneens thuis in de Tenthredinidae (met name in de onderfamilie Heterarthrinae).

Gallen

Het geslacht Salix bestaat uit een groot aantal soorten. Vooral de gebergten en boreale gebieden van het noordelijk halfrond zijn bijzonder rijk. De meeste soorten zijn moeilijk van elkaar te onderscheiden, ook al omdat, vooral waar de natuurlijke verspreiding van de soorten door menselijke activiteiten is verstoord, hybridisatie veelvuldig optreedt. Dit is het typische beeld van een soorten-zwerm in het begin van zijn evolutie. Ondanks de ogenschijnlijk geringe verschillen tussen de afzonderlijke wilgen-soorten vertonen de verschillende soorten van het Pontania-complex een verbazend sterke binding met individuele wilgen. Ook in het Pontania-complex zijn de verschillen tussen de soorten gering, soms louter statistisch van aard; ook dit is een zwerm van jonge soorten. De evolutie van de Pontania-soorten-zwerm is een gesuperponeerd op die van de wilgen!

Mijnen

De mijnen van Tenthredinidae zijn midddelgrote tot grote blaasmijnen, zonder begingang. Ze zijn in principe bovenzijdig, maar het laagje parenchym onderin de mijn is vaak zo dun -en verdroogt ook- dat de mijnen voldiep schijnen.

Traditioneel wordt veel waarde gehecht aan de plaats waar de mijn begint (nabij de bladrand of bij de hoofdnerf) en of de frass al dan geconcentreerd is in het begin van de mijn. Het laatste kenmerk laat ons nog wel eens in de steek. Als er nog larven in de mijn zitten bieden die vaak goede additionele kenmerken.

Opvallend is dat bij alle soorten de larven op hun rug in de mijn liggen (met uitzondering van Pseudodineura, die mineert op Ranunculus).

De vele soorten niet-minerende Tenthredinidae zijn tamelijk polyfaag, maar de minerende soorten zijn juist opmerkelijk strikt monofaag . In het algemeen overwinteren ze als pop.

De larven van de minerende soorten zijn sterk aangepast aan hun levenswijze, onder meer door een min of meer sterke verkorting van de borstpoten en reductie van de buikpoten, en doordat de kop beitelvormig is afgeplat, met naar voren gerichte monddelen. Ze behoren alle tot de onderfamilie Heterarthrinae. Er is één uitzondering, het zojuist genoemde geslacht Pseudodineura, dat in de onderfamilie Nematinae hoort. Dit is veel minder sterk aangepast, met een bolle kop en naar beneden gerichte monddelen.

larven

Binnen de Tenthredinidae zijn de larven die mineren gekenmerkt door een sterk afgeplattte kop (behalve bij Endophytus en Pseudodineura, die nogal apart staan en niet zo perfect aan het minerende leven lijken aangepast) en doordat de sternieten, in elk geval van het borststuk, maar ook vaak een of meer van het achterlijf een donkere vlek hebben.

tabel voor larven van de de minerende geslachten

1a kop bol, mond naar beneden gericht; op varens of Ranunculaceae => 2

1b kop sterk afgeplat, mond naar voren gericht; op andere planten => 4

2a op varens: Aneugmenus

2b op Ranunculaceae => 3

3a op Anemone nemorosa: Endophytus

3b op andere Ranunculaceae: Pseudodineura

4a pro- meso- en metanotum elk met 2 paar zwarte dwarslijnen: Hinatara

4b thorax van boven niet zo bont => 5

5a buikpoten ontbreken; poten kort, tweeledig; basis (coxa) met drie kleine stekeltjes: Profenusa

5b buikpoten aanwezig; poten variabel, basis anders bestekeld => 6

6a naschuivers afwezig => 7

6b naschuivers aanwezig, stijf tegen elkaar aan gelegen, of zelfs vergroeid => 9

7a negende achterlijfssegment ventraal met een groep (meestal donker gekleurde) wratjes: Fenusa (subgenus Kaliofenusa)

7b niet zo’n veld => 8

8a platen op het borststuk zwartbruin: Fenusa

8b platen op het borststuk zwak gechitiniseerd, lichtbruin: Fenella

9a buikpoten op achterlijfssegment 2-7 (op Rubus, Geum): Metallus

9b buikpoten op achterlijfssegment 2-8 (niet op deze waardplanten) => 10

10a poten 3-ledig, plomp; verpopping in een schijfvormige cocon in de mijn: Heterarthrus

10b poten 4-5-ledig; verpopping niet in de mijn => 11

11a poten 4-ledig: Parna

11b poten 5-ledig, relatief slank => 12

12a lichaam opzij met op elk segment enkele zwarte vlekjes: Scolioneura

12b lichaam opzij geheel wit: Fenusella

literatuur

Altenhofer (1980a,b), Gauld & Bolton (1988a), Kopelke (1998a), Leppänen, Altenhofer, Liston & Nyman (2012a), Liston (1993b), Lorenz & Kraus, (1957a), Smith (1971a).

mod 20.i.2020