Epermenia aequidentellus (Hofmann, 1867)

mijn

Jonge larven maken een aantal kleine, voldiepe, blaasmijntjes. Aan de onderzijde hebben ze openingen, waardoor de meest frass naar buiten wordt gewerkt. Mijnen meestal in het topdeel van het samengestelde blad. Oudere larven leven buitenop de plant onder een licht spinsel.

waardplanten

Apiaceae, oligofaag

Anthriscus caucalis, “vulgaris”; Athamanta cretensis; Daucus carota; Meum athamanticum; Peucedanum; Pimpinella saxifraga; Seseli libanotis; Thapsia villosa; Torilis arvensis &am; subsp. neglecta.

fenologie

Larven in mei-juni en augustus-september (Hering, 1957a).

BENELUX

Niet bekend uit de Benelux-landen (Fauna Europaea, 2009).

verspreiding binnen Europa

Van Noorwegen tot het Iberisch Schiereiland, Italië en Griekenland, en van Engeland tot Estland en Roemenië; Canarische Eilanden, Madeira (Fauna Europaea, 2009).

larve

Kop zwart; prothoracale plaat eveneens, met een lichte lengtelijn. Lichaam doorschijnend geelgroen, met een donkerder dorsale lijn en zwarte of bruine vlekken. De zwarte kop onderscheidt de larven van die van E. chaerophyllella (Hering, 1957a).

synoniemen

Epermenia daucellus (H de Peyerimhoff, 1870).

opmerkingen

In kustgebieden, waar de bladeren van Daucus dikker zijn, mineren de larven hun hele leven (J Langmaid in Godfray & Sterling, 1996a).

literatuur

Aguiar & Karsholt (2006a), Amsel & Hering (1931a), Corley (2005a), Gaedike (1972a), Gaedike & Baldizzone (2008a), Godfray & Sterling (1996a), Hartig (1939a), Hering (1927a, 1936b, 1957a), Hofmann (1867a), Klimesch (1983a, 1950c), Skala (1949a), Szőcs (1977a), Wörz (1957a).

mod 25.viii.2018