Plantparasieten van Europa

bladmineerders, gallen en schimmels

Donacaula forficella

Donacaula forficella (Thunberg, 1794)

liesgrassnuitmot

Donacaula forficella: larva in its mine

Glyceria maxima, België, prov. Antwerpen, Mol © Carina Van Steenwinkel: larve in de mijn.

Donacaula forficella: larva

larve (door het flitslicht is de kleur van de larve wat te licht).

mijn

Smalle wittige, nogal opgebolde gang, soms decimeters lang, die in de richting van de bladschede loopt. Frass grofkorrelig, in een duidelijke centrale lijn. Van tijd tot tijd maakt de larve een kokertje van bladmateriaal en laat zich daarin wegdrijven naar een andere plant. Dit schuitje blijft een tijdlang aan de nieuwe waardplant kleven. De larve verpopt zich in een stengel, na er tevoren een opening in gemaakt te hebben en deze met spinsel afgesloten.

waardplanten

Cyperaceae, Poaceae; nauw paolyfaag

Carex; Glyceria fluitans, maxima; Phragmites australis.

fenologie

Larven van de herfst tot in juni (Hering, 1957a).

BENELUX

BE waargenomen (Phegea, 2010).

NE waargenomen (Kuchlein & de Vos, 1999a; Microlepidoptera.nl, 2010).

LUX waargenomen (Fauna Europaea, 2010).

verspreiding binnen Europa

Geheel Europa (Fauna Europaea, 2010).

larve

Grijsgroen, met zwarte kop en een tweedelige, zwarte, prothoracale plaat. De borstpoten hebben aan de voor-binnenzijde een bolvormige zwelling (Neunzig, 1987a, Vallenduuk & Cuppen, 2004a).

pop

Zie Patočka & Turčáni (2005a)

synoniemen

Harpella, Schoenobius forficella, forficellus.

literatuur

Buhr (1935b), Grabe (1955a), Hering (1925a, 1957a), Koren, Vukotić & Črne (2015a), Kravchenko, Poltavsky, Segerer, ao (2020a), Kuchlein & Donner (1993a), Kuchlein & de Vos (1999a), Neunzig (1987a), Patočka & Turčáni (2005a), De Prins (1998a), Rinnhofer (1988a), Robbins (1991a), Vallenduuk & Cuppen (2004a), Vallenduuk, Cuppen & van der Velde (1997a).

Laatste bewerking 10.ii.2023