Epinotia pusillana (Peyerimhoff, 1863)

mijn

Ovipositie op de top van een naald, meestal bovenzijdig. De larve mineert vanuit een spinselbuis het onderste deel van de naalden uit. Groepjes van 1-2 (3) gemineerde naalden worden stevig samengesponnen. De groene frass wordt naar buiten gewerkt. Verpopping in de grond.

waardplanten

Pinaceae, monofaag

Abies alba.

fenologie

Larven van augustus tot eind april.

BENELUX

niet bekend uit de Benelux-landen (Fauna Europaea, 2009).

verspreiding binnen Europa

Van Duitsland en Polen tot de Pyreneeën, Alpen, Servië en Roemenië (Fauna Europaea, 2009).

larve

Somber geelgroen topt geel. Kop geelbruin; pronotum en pinacula niet afwijkend van het integument, alleen wat glanzender; midden-achter op het pronotum een opvallende donkere vlek. Anale kam bruinig (Patočka, 1958a, 1960a).

pop

Zie Patočka (1958a).

pop

Beschreven door Patočka (1960a), Patočka & Turčáni (2005a).

synoniemen

Epiblema pusillana.

literatuur

Disqué (1905a), Patočka (1958a, 1960a), Patočka & Turčáni (2005a), Šumpich (2011a,b).

mod 21.i.2020