Plantparasieten van Europa

bladmineerders, gallen en schimmels

Epinotia subsequana

Epinotia subsequana (Haworth, 1811)

pyramide-oogbladroller

mijn

De eieren worden met 4-5 bijeen gelegd bovenop de hoofdnerf van een jonge naald. De larven dringen een naald binnen via een ovale opening in de onderste helft van de naald, en eten zich een weg naar de top, dan weer naar beneden, en verlaten uiteindelijk de naald door dezelfde opening. Zo worden een aantal naalden gemineerd; de oversteek wordt beschermd door een spinsel tussen de naalden. Na de eerste vervelling gaan de larven mineren in oudere naalden. Oudere larven leven vrij tussen samengesponnen naalden.

waardplanten

Pinaceae, oligofaag

Abies alba, grandis; Picea abies.

fenologie

Larven in juni-juli; overwintering als pop (Patočka, 1960a).

BENELUX

BE waargenomen (Phegea, 2009).

NE waargenomen (Kuchlein & de Vos, 1999a; Microlepidoptera.nl, 2009).

LUX waargenomen (Fauna Europaea, 2009).

verspreiding binnen Europa

Geheel Europa (Fauna Europaea, 2009).

larve

Kop zwart of geelbruin met zwarte zijden; pronotum zwart. Lichaam bleek geel- of grijsgroen; pinacula onopvallend (Bradley ea, 1979a; Patočka, 1960a).

literatuur

Bradley, Tremewan & Smith (1979a), Huisman, Koster, van Nieukerken & Ulenberg (2004a, 2005a), Kuchlein & Donner (1993a), Kuchlein & de Vos (1999a), Patočka (1960a), Robbins (1991a), Roweck & Savenkov (2013a).

Laatste bewerking 5.ii.2020