Plantparasieten van Europa

bladmineerders, gallen en schimmels

Cnephasia incertana

Cnephasia incertana (Treitschke, 1835)

spikkelbladroller

breed polyfaag op kruiden

mijn

De larve tussen tussen samengesponnen bladeren. Een enkele keer maakt een jonge larve een klein, voldiep mijntje van onbepaalde vorm; weinig frass. In de mijn wordt wat spinsel afgezet.

waardplanten

Acer; Achillea clavennae, millefolium; Aconitum; Adenostyles alpina; Adoxa moschatellina; Aegopodium podagraria; Aesculus hippocastanum; Agrimonia eupatoria; Agrostemma githago; Alchemilla; Androsace; Anthyllis; Aquilegia; Arctium; Armeria maritima; Arnica; Artemisia; Asperula; Aster; Astragalus; Atriplex; Barbarea; Bellis; Brassica napus, rapa; Bryonia; Cakile maritima; Calendula; Caltha; Calystegia sepium; Campanula; Capsella; Cardamine; Carthamus; Carum; Centaurea; Cerastium fontanum subsp. vulgare, glomeratum, semidecandrum; Chaerophyllum; Chenopodium; Chrysosplenium; Cichorium; Cirsium; Claytonia; Colchicum; Conopodium; Convolvulus; Crataegus monogyna, rhipidophylla; Crepis; Cucurbita; Cyclamen; Dactylis; Daucus carota; Delphinium; Digitalis; Dioscorea communis; Dipsacus; Echium; Epilobium hirsutum; Erigeron; Erodium; Erysimum; Eupatorium; Euphorbia; Fagopyrum; Fagus sylvatica; Ficaria verna; Filipendula; Foeniculum; Fragaria; Fumaria; Gagea; Galega; Genista; Gentiana; Geranium; Geum urbanum; Globularia; Gnaphalium; Hedera helix; Helianthus; Heracleum; Hirschfeldia incana; Holosteum umbellatum; Humulus lupulus; Hypericum; Hypochaeris; Impatiens, Inula; Isatis; Kickxia; Lactuca; Lamium; Lapsana; Lathyrus niger; Lens culinaris; Lepidium; Leucanthemum vulgare; Lithospermum; Lonicera; Lotus; Lupinus; Lycopus; Lysimachia; Malus; Medicago; Melilotus; Melissa; Milium; Mimulus; Moehringia; Myosotis sylvatica; Myosurus; Neslia; Onobrychis; Ononis; Phalaroides arundinacea; Pimpinella; Plantago; Primula; Pulmonaria officinalis; Ranunculus; Rhinanthus; Ribes; Rumex acetosa; Saxifraga; Scandix; Scorzonera; Scrophularia; Serratula; Silene alba; Sison amomum; Sonchus; Spergularia; Stachys sylvatica; Symphytum; Teucrium; Thlaspi; Trifolium pratense; Trigonella; Tulipa; Tussilago; Umbilicus; Valeriana tripteris; Verbena; Vicia faba; Vitis vinifera; Zinnia elegans.

fenologie

Minerende larven in april-juni (Hering, 1957a).

BENELUX

BE waargenomen (Phegea, 2009).

NE waargenomen (Kuchlein & de Vos, 1999a; Microlepidoptera.nl, 2009).

LUX waargenomen (Fauna Europaea, 2009).

verspreiding binnen Europa

Geheel Europa (Fauna Europaea, 2009).

larve

Larve donkergroen tot zwartig. Kop geelbruin met zwarte achterrand. Halsschild en anale plaat glanzend zwartbruin met lichte voorrand; borstpoten zwart. Buikpoten met een dubbele krans haakjes (Swatschek, 1958a). De pinacula zijn kleurloos, alleen de basis van de borstels is zwart (Buhr, 1953a). Geen anale kam. Zie Ippolito, Mackay, Swatschek voor den gedetailleerde beschrijving van chaetotaxie en morfologie.

pop

Zie Patočka & Turčáni.

synoniemen

Cnephasiella incertana.

opmerkingen

Ondanks de lange lijst van waardplanten worden in de Nederlandse praktijk de mijnen maar hoogst zelden waargenomen.

literatuur

Barton (2015a), Beiger (1955a, 1956a, 1965a), Bradley, Tremewan & Smith (1973a), Buhr (1935a,b, 1953a), Corley, Marabuto, Maravalhas ao (2008a), Disqué (1905a), Hancock & Bland (2015a), Hering (1957a), Huber (1969a), Huemer (2012a), Ippolito (1997a), Kuchlein & Donner (1993a), Kuchlein & de Vos (1999a), Lepiforum (2019), Maček (1999a), Mackay (1962a), Meijerman & Ulenberg (2000a), Michna (1975a), Mitterberger (1931a), Patočka & Turčáni (2005a), Robbins (1991a), Sønderup (1949a), Swatschek (1958a), Szőcs (1977a).

Laatste bewerking 29.ii.2020