Plantparasieten van Europa

bladmineerders, gallen en schimmels

Coleophora badiipennella

Coleophora badiipennella (Duponchel, 1843)

iepenkokermot

Coleophora badiipennella: case on Ulmus minor

Ulmus minor, België, prov. Namen, Gembloux, Sauvenière © Jean-Yves Baugnée

Coleophora badiipennella: mine on Ulmus minor

mijn

Coleophora badiipennella case

Ulmus minor, Duin en Kruidberg

Coleophora badiipennella mines on Ulmus spec.

Ulmus spec., Biddinghuizen, Spijkbos © Hans Jonkman: mijnen

Coleophora badiipennella case on Ulmus spec.

zak

Coleophora badiipennella: case on Corylus avellana

Corylus avellana, België, prov. Namen, Lavaux Sainte Anne, leg. bladmijnenwerkgroep.be © Guido De Prins

Coleophora badiipennella: youth mine on Ulmus

Ulmus spec., Nijeveen, 6.ix.2019 © Ben van As: jeugdmijn; lengte van de uitsnede 3.8 mm

zak

Volgroeide larven in een kleine, zijdelings afgeplatte, plompe spatelvormige bladzak van 5-6 mm. De rugzijde heeft vaak een reeks tandjes, restanten van de bladrand waaruit de zak gesneden is. De achterzijde is tweekleppig, en opvallend breed. De mondhoek bedraagt 0-10°.

De beschrijving en afbeelding van de uiteindelijke zak bij Emmet ea (1996a) is niet helemaal begrijpelijk. De, vrij slanke, zak die ze afbeelden heeft naar eigen zeggen een mondhoek van 30°. Maar als enige afbeelding in de overige literatuur die overeen zou komen met Britse badiipennella verwijzen ze naar Hering (1957a, fig. 701): die lijkt niet op hun eigen afbeelding, en heeft een mondhoek van ca 0°.

Emmet ea schrijven dat de larve zijn leven begint met het maken van een gangmijntje van 10-15 mm, dat vanaf de hoofdnerf langs een zijnerf loopt; hieruit wordt de eerste jeugdzak gemaakt.

waardplanten

polyfaag op houtige gewassen

Acer campestre, platanoides; Corylus avellana; Fraxinus; Ulmus glabra, x hollandica, minor.

In Engeland uitsluitend op Ulmus (Emmet ea, 1996); ook elders is dit waarschijnlijk de belangrijkste waardplant. Vermeldingen van Rosaceae (met name Prunus spinosa) hebben waarschijnlijk betrekking op C. adjectella, die wel als ondersoort van badiipennella is opgevat.

fenologie

De larven zijn volgroeid in september-october, maar vreten vaak nog door in het voorjaar (Emmet ea, 1996a).

BENELUX

BE waargenomen (Phegea, 2010).

NE waargenomen (Kuchlein & de Vos, 1999a; Microlepidoptera.nl, 2010).

LUX niet waargenomen (Fauna Europaea, 2010).

verspreiding binnen Europa

Van Fennoscandia tot de Middellandse Zee, en van Engeland tot Zuid-Rusland (Fauna Europaea, 2010).

larve

De larve wordt afgebeeld en beschreven door Suire (1961a).

opmerkingen

Vooral op zaailingen.

literatuur

Baldizzone (1979a,b, 2004a), Baldizzone & Hartig (1978a), Bankes (1912a), Beiger (1979a), Biesenbaum (2001b), Biesenbaum & van der Wolf (1999a), Buhr (1936a, 1937a), Emmet (1980b), Emmet, Langmaid, Bland ao (1996a), Hartig (1939a), Hering (1930e, 1936b, 1957a), Huber (1969a), Huisman, Koster, van Nieukerken & Ulenberg (2005a), Kaila & Kerppola (1992a), Kuchlein & Donner (1993a), Kuchlein & de Vos (1999a), Michna (1975a), Nel (1992b,c), Nowakowski (1954a), Patzak (1974a), De Prins, Steeman & Sierens (2015a), Razowski (1999a), Robbins (1991a), Schütze (1931a), Sefrová (2005a), Stammer (2016a), Starý (1930a), Suire (1961a), Szőcs (1977a, 1981a), Toll (1952a, 1962a), Tomov & Krusteva (2007a), Utech (1962a).

Laatste bewerking 1.i.2020