Coleophora colutella Fabricius (1794)

Coleophora colutella case

uit Toll (1962a)

zak

Lapjeszak; voorste 2/3 met wijd aanstaande bladfragmenten, achterste, oudste, 1/3 zonder, en tevens zeer sterk naar onder gekromd. Onmiddellijk achter de mond een aantal veel kleinere, ringvormige bladfragmenten. Mondhoek 45°.

waardplanten

Fabaceae, oligofaag

Anthyllis; Astragalus danicus, glycyphyllos; Colutea arborescens; Coronilla vaginalis; Cytisus; Genista; Hippocrepis comosa, emerus & subsp. emeroides; Laburnum; Lotus corniculatus, maritimus, pedunculatus; Oxytropis; Securigera varia; Vicia.

fenologie

Larven van het najaar tot in mei (Hering, 1957a).

BENELUX

Niet bekend uit de Benelux-landen (Fauna Europaea, 2009).

verspreiding binnen Europa

Geheel Europa, met uitzondering van de Britse Eilanden (Fauna Europaea, 2009).

larve

Beschreven door Suire (1961a).

synoniemen

Coleophora serenella Duponchel, 1843; C. crocinella Tengström, 1848.

literatuur

Ahr (1966a), Baldizzone (1979a, 1983c, 1990b, 2004a), Beiger (1955a, 1960a), Biesenbaum & van der Wolf (1999a), Buhr (1930a, 1935a, 1964a, 1935a), Burmann (1992a), Chrétien (1927a), Corley, Maravalhas & Passos de Carvalho (2006a), Hartig (1939a), Hering (1921a, 1930b, 1932g, 1957a, 1967a), Huber (1969a), Huemer (2012a), Ivinskis & Savenkov (1991a), Kasy (1983a), Klimesch (1950c), Kvičala (1938a), Leutsch (2002a), Lhomme (1934b), Maček (1999a), Nel (1992b,c), Nowakowski (1954a), Patzak (1974a), Razowski (1990a), Skala (1951a), Sønderup (1949a), Stammer (2016a), Starý (1930a), Suire (1961a), Szőcs (1977a, 1981a), Toll (1962a).

mod 26.vi.2019